Nooit meer naar Parijs

ParijsVoor een boswandeling wil ik ze nog wel eens aantrekken, maar aan de vooravond van onze citytrip besluit ik ze thuis te laten. Stel dat ik iemand tegen het lijf loop op wie ik een verpletterende indruk wil maken? Dat gaat me met deze beslist niet charmante wandelschoenen niet lukken.

‘Nee hoor,’ zegt mijn dochter een dag later gedecideerd, ‘ik heb absoluut geen zin om de metro te pakken, dan zien we niks van de stad. En kijk, het is maar een klein stukje lopen naar Montmartre.’ Ik volg haar vinger op de verkreukelde – want al veelvuldig eerder gebruikte – stadsplattegrond. ‘Dat is veel verder dan je denkt,’ probeer ik nog, maar zij heeft de pas er al in. ‘Kom op, mam! Lekker lopen,’ roept ze over haar schouder. Ik kijk naar mijn gelaarsde voeten. De linker lijkt wel zin te hebben in een flinke wandeling. De rechter heeft net ruim 500 kilometer gas gegeven en is beduidend minder enthousiast. Een beetje mokkend laat hij zich in beweging brengen. Bij een patisserie kopen we een half uur later allebei een eclair. Die van mij doet me heel even de onder mijn voeten ontstaande brand vergeten. Smullend overbruggen we de laatste honderden meters naar de trappen die naar de Sacré Cœur leiden.

Exact eenendertig jaar na de allereerste keer dat ik hier was, zet ik mijn rechtervoet op de eerste trede. Net als toen beklaag ik me niet alleen over het enorme aantal treden, ik ben weer net zo onder de indruk van het uitzicht over Parijs vanaf het plein voor de basiliek als in 1982. Dochterlief maakt een foto van me. Ik straal, ondanks mijn brandende voeten. We dwalen tot laat in de avond door Montmartre, zitten met grote regelmaat op een terrasje en lopen na het diner terug naar het station vanwaar de trein naar Rosny-sous-Bois vertrekt. Eenmaal aan boord van de trein voel ik pas goed hoe pijnlijk mijn voeten zijn en begin ik op te zien tegen het feit dat we straks nog een dik kwartier naar het hotel moeten hobbelen –  de kwalificatie ‘lopen’ is inmiddels niet meer op mij van toepassing.

Zodra ik op de tweede dag van onze citytrip mijn ogen opendoe, zijn mijn voeten het eerste waar ik aan denk. Verheugd merk ik dat ik er geen last van heb, dus gooi ik ze uit bed en ga ik er op staan. Fout! Na vijf minuten lijkt de pijn wat af te nemen en wurm ik mijn voeten in verse sokken en vervolgens in mijn laarzen. De eerste paar uur kan ik nog doen alsof er niets aan de hand is, maar dan beginnen de twee enorme blaren (onder elke hiel een) me tot waanzin te drijven. Ik ontwikkel een soort ballerinaloopje, waarbij ik me balancerend op mijn tenen voortbeweeg. Dat is redelijk te doen, totdat ik voel dat er zich ook onder mijn tenen blaren aan het ontwikkelen zijn. De pijn verbijtend balanceer ik langs het Louvre, door eindeloze metrogangen, van de Notre Dame naar het Centre Pompidou en als we aan het eind van de dag weer in de trein naar Rosny zitten, kijken we elkaar aan. ‘Morgen maar na het ontbijt naar huis?’ vraag ik mijn dochter. Hoewel haar voeten er iets minder erg aan toe zijn dan die van mij, knikt ze vol overtuiging. ‘Ik zie het niet zitten om morgen eerst nog weer een tijd door de stad te dwalen. Het is goed geweest, de rest van Parijs bewaren we gewoon voor een volgende keer,’ zegt ze.

Mijn voeten zijn na de lange autorit dik – en dat is zwak uitgedrukt. Ik laat me uit de auto vallen en strompel naar de achterdeur. Zodra ik die opengedaan heb, zie ik ze staan. Naast de mat. Mijn super-de-luxe wandelschoenen. Ze lijken me uit te lachen. ‘Ja, ja, ja,’ mopper ik, ‘ik ga nooit meer naar Parijs zonder jullie!’

Een reisverslag (met foto’s) van deze verder zeer geslaagde citytrip, die ik voor mijn verjaardag cadeau kreeg van mijn dochter, vind je in de loop van de week op http://christienromp.nl.

Wagenziek

wagenziekTerwijl ik mijn boodschappentas in de kofferbak zet, hoor ik: ‘Nee, dat gaat zo niet! Die auto moet weg!’ Ik kijk opzij en zie hoe een stokoude, spichtige vrouw probeert een rolstoel in een bestelwagen te duwen. In de stoel zit haar uitermate sikkeneurige en behoorlijk zwaarlijvige echtgenoot. Ik sluit de kofferbak en loop naar het echtpaar toe. ‘Kan ik u helpen, mevrouw?’ vraag ik vriendelijk.

Zij kijkt me hulpeloos aan en zwijgt. Hij blijft stoïcijns voor zich uitkijken en antwoordt: ‘Ze moet de wagen een stuk naar voren rijden, want zo gaat het niet.’ Ik moet toegeven dat mevrouw de auto niet erg handig geparkeerd heeft: met de achterkant op slechts enkele meters afstand van de voorbumper van een enorme Mercedes. Zij verweert zich zenuwachtig met de woorden dat die andere auto er net nog niet stond. Dat vooruit inparkeren, in plaats van achteruit, een stuk handiger was geweest, opper ik maar niet.

‘Het is wat krap,’ zeg ik, ‘maar volgens mij lukt het best,’ waarna ik de handvatten van de rolstoel grijp. Ondanks het gewicht van de man lukt het me om de rolstoel, zonder contact te maken met de Mercedesbumper, recht voor de oprijplank te krijgen. De mopperkont blijft stug volhouden: ‘Het gaat toch niet lukken, kijk maar, ik sta scheef!’ Ik snoer hem de mond door te constateren dat hij hartstikke recht staat. ‘Kijk maar,’ voeg ik eraan toe en voordat hij er erg in heeft, zit hij met stoel en al in de auto.

Het blijft even stil. De vrouw kijkt me aan en zucht hoorbaar. ‘Zet hem even op de rem,’ spoort ze haar man aan die vervolgens enigszins naar voren buigt en mopperend dat het toch niet gaat lukken ergens een hendel of iets dergelijks overhaalt. Ik blijf voor de zekerheid de rolstoel vasthouden en mevrouw begint aan alle kanten riemen en banden vast te zetten. Mijnheer heeft zijn irritante litanie nog steeds niet gestaakt. ‘Zie je wel dat het niet gaat?’ pruttelt hij akelig nasaal. 

‘Laat maar los’, zegt zij na enige tijd gelaten. De rolstoel schuift heel langzaam naar achteren. ‘Zie je wel, ik zei het toch!’ kraait de man. ‘Haal me er maar weer uit, ze moet eerst de auto ergens anders neerzetten, dan gaat het wel.’ Ik ben verbijsterd maar krijg de kans niet iets te zeggen, want hij heeft de rem van de stoel alweer losgemaakt. Ruim honderd kilo oude mannenvlees schuift richting oprijplank en ik grijp opnieuw de handvatten, bang om verpletterd te worden. De vrouw maakt alle riemen weer los, terwijl hij blijft foeteren.

Het is nog een hele toer om de man uit de auto te krijgen. Als ik even later met trillende armen achter de rolstoel sta en mevrouw weer in de auto is gaan zitten, vraagt de brompot: ‘Bent u er nog mevrouw?’ Naar adem snakkend antwoord ik dat ik er nog ben. Hij draait zich half om in zijn stoel en bijt me toe: ‘U kunt wel gaan. Nu we geen last meer hebben van die Mercedes, kunnen we het zelf wel. En anders zoeken we wel een sterke man.’ Ik weet niet hoe snel ik me uit de voeten moet maken en hoor nog net dat hij me bedankt. Terwijl ik het parkeerterrein afrijd, roept hij alweer commando’s naar zijn vrouw. Ik heb met haar te doen; je zult getrouwd zijn met zo’n man. Ik zou er geloof ik permanent wagenziek van zijn.

Royaal contrast

koningin Beatrix

Er was een tijd dat ik, bijvoorbeeld midden in een met blauw dooraderd, wit, Grieks dorpje, oprecht trots antwoord gaf op de vraag waar ik vandaan kwam: ‘Uit Nederland!’ Tegenwoordig aarzel ik bij die vraag. Het kost me steeds meer moeite om te vertellen dat ik uit het land kom waar middelmatigheid steeds vaker de boventoon voert en schreeuwers en prutsers de dienst uit lijken te maken. Ik vind het lastig om trots te zijn op die 41.526 vierkante kilometers aan de Noordzee, waar grijstinten de bestsellerlijst aanvoeren, waar alleen gelachen wordt om een grap als die over seks, poep of pies gaat en waar een vwo-eindexamenklas de school, als examenstunt, voor een dag omtovert in een bordeel.

Heel Nederland stond de afgelopen week op zijn kop vanwege het koningslied. Ik was en ben verbijsterd over het bedenkelijke niveau ervan en over de smakeloze reacties erop, over het feit dat het toekomstige staatshoofd wordt getutoyeerd en dat het bij zo veel Nederlanders blijkbaar wel in de smaak valt. Maar als onze aanstaande koning er zelf om vraagt gewoon gevonden en bij zijn voornaam aangesproken te worden, heeft hij al die middelmatigheid, die stamppot en die drie vingers dan niet GEWOON over zichzelf en zijn echtgenote afgeroepen?

Haaks op al die ‘gewonigheid’ staat het lied ‘Lieve koningin’ van Brigitte Kaandorp. Het bezorgt me een brok in de keel en tegelijkertijd het besef dat er dus gelukkig ook nog mensen zijn die wel in staat zijn een lied te schrijven dat een vorst waardig is. Het contrast tussen beide liedjes toont pijnlijk nauwkeurig aan hoe onze mentaliteit, onze normen en waarden, misschien zelfs wel onze cultuur voorgoed veranderd zijn.

Als koning Willem-Alexander over een drietal decennia (of zo) troonsafstand doet, zal Brigitte dan voor hem ook zo’n prachtig lied schrijven? Of zullen we dat dan weer overlaten aan ‘het volk’ en zullen dan duizenden Nederlanders drie vingers in de lucht steken, terwijl ze: ‘Doei Willem,’ zingen?

Ik hoop dat ruimschoots voor die tijd het besef doordringt dat Nederland een beetje meer inhoud, wat minder middelmatigheid en een flinke dosis respect voor elkaar nodig heeft. Het lijkt me zo heerlijk om, waar dan ook ter wereld, vol trots te kunnen verkondigen dat ik uit Nederland kom.

Digitaal signeren?

touwOp 8 april 2013 verscheen ‘De koorddanser & andere verhalen‘, mijn tweede boek. De bedoeling was om het vooralsnog alleen als e-boek uit te brengen. Meteen nadat ik mijn aankondiging gedaan had, stroomden de berichten binnen die allemaal min of meer dezelfde strekking hadden:  ’Leuk, maar ik wil een papieren boek en liefst een gesigneerd exemplaar!’

Tja.

Het heeft me een paar slapeloze nachten gekost, maar toen bedacht ik dat ik voor de echte fans natuurlijk best een kleine oplage kon laten drukken.

Dus.

Morgenvroeg rolt de eerste oplage van de persen. De helft ervan is al gereserveerd, dus wil jij ook een gesigneerd exemplaar? Dan mag je er wel als de kippen bij zijn…………

Niet sensueler, alleen makkelijker

leuker kunnen we het niet makenOmdat ik niet zo van de (blauwe) cijfertjes ben en ik, ondanks de slogan van de Belastingdienst, het afhandelen van de belastingaangifte nog steeds een ingewikkelde klus vind, doe ik al jaren een beroep op een belastingadviesbureau. De freelancer die mij de afgelopen jaren hielp om het doen van aangifte nóg makkelijker te maken, blijkt niet meer te freelancen en daarom heeft het belastingadviesbureau Marcel (zijn echte naam heb ik niet onthouden) gestuurd. Ook hij vult snel en vakkundig – althans dat neem ik aan – mijn aangifte in en vertrekt na een minuut of dertig, nadat we: ‘Tot volgend jaar,’ tegen elkaar hebben gezegd.

Een maand na zijn bezoek zit ik met mijn dochter thee te drinken, als ik een berichtje via WhatsApp ontvang: ‘Ik heb al je artikelen gelezen. Geweldig!’ Van wie het bericht komt, weet ik niet, want mijn telefoon herkent het nummer niet. Logisch dus dat ik vraag van wie dit compliment afkomstig is. ‘Je belastingman,’ lees ik, ‘heb ik dan zo weinig indruk gemaakt?’ Ik lees het regeltje voor aan mijn dochter, die zich verslikt in haar thee. Ik aarzel even, besluit dan eerlijk te zijn en antwoord dat ik hem eigenlijk alweer vergeten was. Die mededeling schrikt hem niet af, zoals ik had gehoopt en verwacht, want hij schrijft dat hij mij een aantrekkelijke, sensuele vrouw vindt. Nu verslik ik me, want ik vind deze mededeling van een hoog ‘bok-op-de-haverkist-gehalte’. Ik reageer dan ook met ijzingwekkende stilte.

Hij doorbreekt die met de mededeling dat hij maar liefst tien jaar jonger is dan ik. Alsof ik hem dan opeens wel indrukwekkend ga vinden. Ondertussen zoek ik koortsachtig naar een manier om deze inmiddels zeer ongemakkelijke conversatie te beëindigen. Hij is zich er niet van bewust dat hij het perfecte argument zelf aandraagt met de mededeling dat hij nog wel een relatie heeft. Ik snauw – voor zover dat mogelijk is via WhatsApp – dat ik al eens een relatie heb gehad met een man die nog getrouwd was. En dat ik daar onprettige herinneringen aan bewaar. ‘Ik wens je alle goeds,’ voeg ik er beleefdheidshalve nog aan toe.

Als freelancer word ik soms door een blad gevraagd om iemand te interviewen. En ja: het gebeurt af en toe dat ik in een dergelijke ingehuurde toestand iemand ontmoet met wie ik best een beschuitje zou willen eten. Geen haar op mijn hoofd die overweegt de man in kwestie naderhand een berichtje te sturen om hem te laten weten dat ik hem ‘aantrekkelijk en sensueel’ vind. Ik vind het te onprofessioneel voor woorden, om zo met klanten van een opdrachtgever om te springen.

Voor volgend jaar zoek ik overigens nog iemand die me wil helpen met de aangifte. Een man of vrouw die er niet op uit is om het belastinggedoe sensueler te maken. Makkelijker is wat mij betreft meer dan voldoende. 

testbericht

Dit bericht is alleen zichtbaar voor mensen met een wachtwoord,’ was het enige zinnetje in dit bericht. Het prikkelde blijkbaar de nieuwsgierigheid…. maar dat was niet het effect dat ik ermee beoogde.

testbeeld

Er gebeuren soms hilarische dingen die ik dolgraag wil delen maar hier niet kan publiceren, omdat ze pijnlijk kunnen zijn voor degene over wie de column gaat. Degenen die mij al langer volgen, weten dat ik ervoor pas om mensen publiekelijk te kwetsen. Lang heb ik mijn pseudoniem als een tijgerin bewaakt. Bijna niemand wist, wie erachter schuilging. Dat is niet langer het geval – en dat is mijn eigen schuld. Maar dat pseudoniem gaf me wel meer ruimte om te schrijven over wat er in me opkwam. Vandaar dat ik vandaag opeens bedacht dat het misschien slim zou zijn om bepaalde columns te beveiligen met een wachtwoord. Zo zou ik de controle in eigen hand houden.

Inmiddels besef ik dat dit weliswaar een oplossing is, maar geen goede. Ik moet een keuze maken: publiceer ik iets wel of niet. Slechts een select gezelschap toegang geven tot mijn hersenspinsels slaat feitelijk nergens op. Daarom ga ik maar weer doen wat ik de laatste jaren steeds deed: wél die column schrijven, maar hem gewoon bewaren ‘voor later’, als het minder vers is en de persoon om wie het gaat het hele voorval alweer vergeten is. (Dat hoop ik dan in elk geval.)

Kleefkracht

kleefkrachtSinds ik beschik over een smartphone, gebruik ik het navigatiesysteem van Nokia. Een tijdje geleden heb ik daarom mijn TomTom van de hand gedaan. De afdruk van de zuignap op de voorruit is het enige dat nog aan het bestaan van Bram, zoals ik het apparaat noemde, herinnert. De eerste keer dat ik me voornam mijn telefoon als navigatiehulp te gebruiken, had ik onmiddellijk een logistiek probleem. De raamhouder – waar mijn telefoon met geen mogelijkheid in paste – had ik samen met de TomTom verkocht . Ik besloot de telefoon daarom achter het stuur, in het dashboard neer te zetten. Dat ging prima. Tot de eerste bocht. Erna zette ik Bram II weer overeind, waarbij ik per ongeluk met mijn duim over het symbooltje ‘navigatie stoppen’ bewoog. Niet echt een oplossing, dus.

Zo heel vaak gebruik ik het navigatiesysteem niet. Maar binnenkort gaan dochter en ik op avontuur en aangezien ik geen zin heb in een Bram II die bij de eerste de beste bocht, drempel of kuil in het wegdek omvalt, besluit ik een speciaal voor smartphones ontworpen houder te kopen. Een handig ding, denk ik in de winkel nog, want je kunt hem in het ventilatierooster klemmen of met de speciale kleefstrip op het dashboard bevestigen. Ja… Al na vijf minuten heb ik door dat de meegeleverde  klemmetjes met geen mogelijkheid in de ronde roosters van mijn auto willen blijven zitten. Maar ha, gelukkig beschikt de houder ook nog over een kleefsysteem.

Voorzichtig verwijder ik het beschermende folielaagje van de plakstrip, waarna ik de houder met kracht op het dashboard duw. Zodra ik loslaat, kukelt het ding onmiddellijk naar beneden. Nog maar een keer. Hetzelfde effect. De temperatuur in de auto begint te stijgen, terwijl ik talloze vruchteloze pogingen onderneem om de houder – die ik inmiddels heb omgedoopt in ‘rotding’ – vast te drukken. Tien minuten later, ik heb het inmiddels lekker warm, geef ik de strijd op. Ik moet gewoon tape hebben met meer kleefkracht.

Weer een half uur later sta ik twee stukjes tape af te knippen van het rolletje dat me maar liefst acht euro heeft gekost. Ik plak ze tegen de niet-klevende kleeflaag van de houder en laat me opnieuw op de passagiersstoel zakken. Hoopvol druk ik de houder voor de zoveelste keer op het dashboard.  Deze keer laat hij nog sneller los dan eerst. Dan besef ik dat ik vergeten ben de boel vetvrij te maken. Ik race naar de keuken voor een doekje en een fles schoonmaakmiddel. Daarna boen ik tot ik een ons weeg. Schoon, droog en vetvrij: nu komt het goed! Voor de zekerheid vervang ik de stukjes tape door verse. Voorzichtig laat ik de houder zakken; hij valt meteen weer op de grond.

Opeens bedenk ik dat de kou misschien de oorzaak van mijn vruchteloze pogingen is en haal ik de föhn uit de badkamer. Ik plak twee verse strookjes tape op het dashboard en stop de stekker van een verlengsnoer in het stopcontact in de schuur. Even later zit ik het dashboard van mijn auto te föhnen. Gelukkig ziet niemand me. Het effect van al die warmte? De stukjes tape krullen op en laten los. ‘Jij gaat plakken,’ sis ik tegen het ding, terwijl ik hem dreigend een tube montagekit voorhoud. En dat…. dat lijkt te werken! De houder blijft parmantig op mijn dashboard staan. Ik heb koffie verdiend.

Na de koffie neem ik nog even poolshoogte. Op de plek waar de houder zou moeten staan, zie ik alleen een heleboel witte smurrie. Ik heb het zo gehad, dat ik niet eens meer boos word. Een paar druppels wasbenzine later is mijn dashboard weer brandschoon. De telefoonhouder gooi ik achteloos in de schuur. Wie weet kan ik er ooit nog eens iemand een plezier mee doen (of mee pesten). In het interieur van een Ford Ka is alles rond. Dat vind ik nog steeds de charme van deze auto, maar nu vermoed ik dat die rondingen ervoor zorgen dat niets blijft plakken.

Ondertussen heb ik een nieuwe telefoonhouder besteld. Met een zuignap. Als die net zo veel kleefkracht heeft als die van de raamhouder van mijn TomTom, komt het toch nog goed en kunnen we straks relaxed op avontuur. Bijkomend voordeel: over waar ik de houder moet bevestigen, hoef ik niet na te denken. Ik plak hem gewoon op de plek waar de houder van Bram I een afdruk heeft achtergelaten.

Vriendschapsverzoek geaccepteerd

vriendschapsverzoekZe gaat wat zachter praten, want hij zit even verderop Rummikub te spelen met zijn broertje en mijn dochter. Bijna negen jaar is hij, de oudste zoon van mijn zus en zwager. Naast verzot op ravotten, tennissen en scouting, is hij verslingerd aan een online spel. ‘Wat wij niet wisten, is dat je op dat spelforum niet alleen spelletjes kunt spelen, maar dat je er ook vriendschappen kunt sluiten,’ zegt mijn zus. ‘Toen ik op een ochtend zijn mailbox opende en een mailtje aantrof met de boodschap: ‘Dikkelul53 heeft je vriendschapsverzoek geaccepteerd,’ leek het me tijd voor een goed gesprek.’

Mijn dochter was een jaar of elf en had me maandenlang de oren van het hoofd gezeurd: ‘Mam, mijn hele klas zit al op Hyves, mag ik ook?‘ Uiteindelijk ging ik overstag, maar niet nadat ik haar uitgebreid had gewaarschuwd voor de gevaren van internet. ‘Geen vrienden worden met mensen die je niet kent, geen persoonlijke gegevens verstrekken en geen rare foto’s van jezelf publiceren,’ drukte ik haar op het hart. Ze knikte en hield zich vervolgens keurig aan de afspraken die ik met haar had gemaakt. Dat weet ik zeker, want ik controleerde regelmatig wat ze online allemaal uitspookte. Met haar medeweten, overigens.

Tegenwoordig bezoekt ze Hyves nog maar zelden en dan meestal alleen om zich te verbazen over de – soms uitermate ordinaire – foto’s van klasgenootjes van vroeger. Online spelletjes doen haar niets en het is maar heel af en toe dat ze iets post op Twitter. Soms ontvangt ze op Facebook een vriendschapsverzoek van iemand die ze niet kent. Een dergelijk verzoek kan rekenen op een stoïcijnse druk op de knop ‘afwijzen’. Ze weet de weg op internet, kent de valkuilen en gevaren ervan en ik beschouw haar digitale opvoeding dan ook als volledig voltooid.

Internet is er in de loop der tijd beslist niet veiliger of overzichtelijker op geworden. Nu mijn zus en zwager aan het begin van de digitale opvoeding van hun kinderen staan, benijd ik ze dan ook niet. In het dagelijks leven stimuleren zij, zoals iedere ouder, hun kinderen om nieuwe vriendschappen te sluiten, kennis te vergaren en heerlijk te spelen. Leg dan maar eens aan een negenjarig mannetje uit, waarom je op internet vaak je nieuwsgierigheid moet bedwingen, er niet alles en iedereen kunt vertrouwen en dat je nooit ofte nimmer   vriendschapsverzoeken moet sturen naar onbekenden. En al helemaal niet naar mensen die zich ‘Dikkelul53’ noemen.

Het hoofd op hol

hart op holZe laat jongensharten sneller kloppen. Dat is niet iets van de laatste jaren, want ik herinner me nog een vakantie in Turkije. Ze was acht en een Nederlands jochie van een jaar of tien was niet bij haar weg te slaan. ‘Ach,’ hoorde ik hem op een zonnige namiddag vanuit het zwembad zuchten, ‘je lijkt net een zeemeermin.’ Zij dreef op haar rug, haar lange, toen nog blonde haren als een waaier om haar hoofd. Het tafereel ontroerde me en deed me tegelijkertijd beseffen dat de puberteit op de loer lag. En daarmee een arsenaal aan puisterige, potentiële vriendjes.

Nadat haar vader en ik gescheiden waren, raakte ik in gesprek met mijn toenmalige werkgever. Waar het precies over ging, kan ik me niet meer herinneren. Ik zal mijn gal gespuwd hebben over mijn ex-echtgenoot en daarbij, mezelf kennende, vast enorm zijn gaan generaliseren. Mijn baas keek me namelijk ernstig aan en zei: ‘Pas je er wel voor op dat je dochter geen mannenhaatster wordt?’ Ik keek hem verbouwereerd aan en ging pas over zijn woorden nadenken, toen ik de meeste tranen vergoten had en mijn hoofd weer helder was; jaren later.

In de eerste klassen van het vwo was ze te druk met het vinden van haar eigen weg, het wortelen op een nieuwe plek en het maken van nieuwe vrienden. Dat jongens haar leuk vonden, viel haar simpelweg nooit op. Mij wel, maar dat terzijde. Niet lang nadat ze eenmaal gesetteld was, diende het eerste vriendje zich aan. Ik vond hem aardig en hij had gelukkig geen pukkels, maar ik moest wennen aan zijn harde ‘baard-in-de-keel-lach’ en aan het feit dat hij voortdurend aan haar wilde zitten. Haar verliefdheid was van korte duur en ik zuchtte stiekem van opluchting.

We zijn inmiddels jaren verder. Ik heb de potentiële aanbidders zien komen en gaan. De een had zweetvoeten, een volgende een gezicht vol pukkels. Sommigen marineerden zich in Axe alvorens ons huis te betreden, anderen brachten chocola of een roos mee. En heel af en toe ontstond er iets moois tussen mijn dochter en een van die jongens. Ik raakte gewend aan de gedachte dat ze binnenkort volwassen is, haar eigen leven gaat leiden met de partner van haar keuze. En zelfs aan het gefrunnik stoorde ik me op een bepaald moment niet meer.

Ik mag tot mijn opluchting constateren dat ze geen mannenhaatster is geworden. Nu haar meest recente vriendje onze deur onlangs definitief achter zich heeft dichtgetrokken, is het wel weer een stuk rustiger in huis. Ik geniet er  uitgebreid van, want voor je het weet, brengt ze weer iemand het hoofd op hol.

De koorddanser en andere verhalen

cover_de_koorddanser

Het is je vast al opgevallen dat vier van mijn vervolgverhalen zijn verdwenen. En dat heeft een bijzondere reden. De reacties op mijn verhalen zijn zonder uitzondering positief. Dat streelt niet alleen mijn ego, het heeft me ook aan het denken gezet. 

Al geruime tijd bestond de wens een tweede boek uit te brengen. In een nieuwe columnverzameling had ik geen zin. Ik wilde iets nieuws en besloot – mede op aanraden van een goede vriendin – een aantal van mijn vervolgverhalen te bundelen. Misschien volgt er te zijner tijd ook nog een gedrukte versie, maar voor de nabije toekomst zit er alleen een digitale versie – een e-boek dus – in de planning. 

Op mijn website lees je daar meer over.

Met een nog niet eerder gepubliceerd verhaal voor de bundel moet ik nu eerst aan de slag; hier blijf ik gewoon columns publiceren en wie weet…. binnenkort weer gewoon een nieuw vervolgverhaal.