Milazzo, Peter …… het zal toch niet? Deze man is groot, breed, allesbehalve corpulent en ik kan me haast niet voorstellen dat hij de uitgegroeide versie van het kleine Siciliaantje van weleer is. Vragen naar zijn achternaam vind ik wat te brutaal, dus noem ik op mijn beurt, licht blozend, mijn voor- en achternaam. ‘Ah, Christien, that’s a beautiful name,’ zegt hij slechts en ik merk dat er geen enkel belletje bij hem gaat rinkelen. Het zou ook wel heel toevallig zijn, als we elkaar hier, aan de voet van de Etna, opeens zouden ontmoeten. We kiezen een warme trui uit, rekenen af en gaan weer naar buiten, nadat Pietro ons nog een aangenaam verblijf op Sicilië gewenst heeft.
Twee dagen voordat we naar huis gaan, zitten we in de bus. Ik heb een excursie naar Lipari, een klein eiland voor de kust van Sicilië geboekt. De reisleidster is op taalgebied van alle markten thuis en hangt een lang verhaal op in het Engels, Russisch en Frans. Alles met een vet Italiaans accent. Het maakt wat zij vertelt tot een onontwarbaar relaas, waar alleen een enkele plaatsnaam voor enige herkenning zorgt. Aan haar duidelijke opwinding valt af te leiden dat de haven, van waaruit we zullen vertrekken, in zicht komt. ‘Milazzo,’ hoor ik haar luid en duidelijk in de microfoon zeggen. Ik ga rechtop zitten en kijk nog aandachtiger naar buiten. ‘Stel dat Pietro hier ergens loopt,’ grap ik tegen mijn dochter. ‘Alsof je hem dan zou herkennen,’ lacht ze. Daar heeft ze een punt.
Zodra het vliegtuig opstijgt, werp ik nog een laatste blik op het landschap dat mijn voormalige penvriend zo vertrouwd was. Natuurlijk was er stiekem de hoop dat ik hem ergens tegen het lijf zou lopen, maar echt mijn best heb ik ook niet gedaan om hem te vinden. Het is goed zo. Wij hebben genoten van onze vakantie en thuis maak ik een selectie van de mooiste foto’s, die ik in een album af laat drukken. Na een paar weken ga ik weer over tot de orde van de dag. De aanstaande verhuizing doet de herinneringen aan Sicilië al snel verbleken.
Vijf jaren zijn verstreken, als ik op een zondagmiddag op zoek ga naar een oude foto. Terwijl ik een stapel vergeelde plakboeken en oude fotoalbums uit de kast haal, dwarrelt er een losse foto op de grond. Ik buk me om hem op te rapen….. Pietro. ‘Daar ben je weer,’ mompel ik, waarna ik minutenlang naar zijn vage contouren staar. Ik vraag me af hoe mijn leven eruit zou hebben gezien als ik op die lentemorgen in 1997 op zijn uitnodiging zou zijn ingegaan. En stel dat hij het wel was geweest, daar aan de voet van de Etna?
Zijn brieven kan ik nergens meer vinden; ze zijn in de vele verhuizingen zoekgeraakt. Vandaag of morgen zal Pietro vast wel weer ergens opduiken; in de vorm van verloren gewaande brieven of anderszins. Stiekem verheug ik me alvast een beetje op die gelegenheid.








