Wie wat bewaart

Ze ziet er keurig verzorgd uit. Haar grijze haren in een mooie knot, die is vastgezet met een sierlijke speld. Ze draagt een duuruitziende winterjas met een prachtige sjaal erboven en zodra ze haar gerimpelde hand op de balie legt, zie ik dat haar nagels zachtroze gelakt zijn. Een wolkje parfum geeft haar verschijning de finishing touch. Pas zodra ze begint te praten, hoor ik dat ze heel wat ouder is dan ik had geschat.

‘Hebt u voor mij goedkope postzegels?’ vraagt ze piepend en krakend aan het meisje achter de servicebalie bij de supermarkt. ‘Hoe bedoelt u, mevrouw?’, vraagt zij kortaf. De oude dame doet een greep in haar handtas en legt een stapeltje enveloppen voor het humeurige meisje neer. Dan verdwijnt haar hand opnieuw in de tas, waarna ze een flinke hoeveelheid postzegels, bij elkaar gehouden door een elastiekje, op de balie deponeert. De wenkbrauwen van de supermarktmedewerkster gaan omhoog. Ze trekt het elastiekje van de postzegels en schuift ze uit elkaar. ‘Mevrouw, dit zijn nog postzegels uit de tijd van de gulden,’ zegt ze verontwaardigd, ‘die zijn echt niet meer geldig!’

De oude dame is even zichtbaar uit het lood geslagen. ‘Maar als ik er nu gewoon wat goedkope postzegels bijplak, dan kan ik deze toch gewoon gebruiken?’ probeert ze. ‘Ik heb vroeger voor deze zegels betaald en dan is het toch zonde om ze weg te gooien?’ Een luide zucht ontsnapt het meisje, terwijl ze hoofdschuddend naar de verzameling antieke postzegels staat te kijken. ‘Kijk,’ zegt de oude dame, ‘veel van deze enveloppen moeten naar het buitenland. Daar weten ze vast niet dat deze postzegels niet meer geldig zijn.’ De supermarktmedewerkster verliest nu haar geduld. ‘Gaat u alstublieft naar het postkantoor, mevrouw. Daar kunnen ze u vast verder helpen; ik heb geen tijd meer voor u.’ Ze veegt de oude postzegels met een nijdig gebaar bij elkaar, met de bedoeling ze in de prullenbak te gooien. ‘Ho ho, die neem ik mee hoor,’ zegt de oude dame, ‘ik heb er per slot van rekening ooit voor betaald.’

Beledigd en zachtjes mopperend begeeft ze zich naar de uitgang. ‘Wie wat bewaart die heeft wat,’ zeg ik grinnikend tegen het meisje achter de balie. Zij kijkt me aan, een onverwachte lach op haar gezicht en zegt: ‘Sommige dingen kun je ook te lang bewaren.’

Constante factor

ImagesWe moeten een jaar of dertien, veertien zijn geweest. Terwijl ‘Roxanne’ door mijn kamer schalde, knipten wij fotootjes uit de Popfoto, waar we buttons van maakten. Karin koos steevast voor een afbeelding van Stewart Copeland, ik had slechts oog voor Sting. Heel prettig, want zo kregen we nooit ruzie over wie welk hoofd mocht hebben. We dreven onze moeders tot waanzin; zij moesten de papiersnippers die we overal achterlieten opruimen. Bovendien vertoonden veel van onze kledingstukken gemene gaatjes, daar achtergelaten door de speldjes van onze buttons.

Onze buttonmanie verbleekte, net als de vriendschap tussen Karin en mij, maar mijn liefde voor Sting leed daar niet onder. Geld om elpees te kopen had ik niet, maar als er weer een nummer van The Police in de top 40 stond, kwam mijn cassetterecorder goed van pas. Toen ik ging studeren, hield de band op te bestaan, maar Sting ging verder als soloartiest. Een beetje verwezen zat ik op een avond voor me uit te staren in mijn Leidse studentenkamer. Ik vroeg me af of ik wel de juiste beslissing had genomen door nu al te stoppen met mijn studie en naar Rotterdam te verhuizen. Uit de kamer naast mij klonk een vertrouwde stem. Ik klopte aan bij mijn huisgenootje en liet me troosten door ‘The Dream of the Blue Turtles’. Een dag later heb ik, hoewel mijn budget dat eigenlijk niet toestond, mijn eigen exemplaar van dat eerste soloalbum van Sting gekocht. Zijn muziek hielp me door de eerste moeilijke maanden in Rotterdam heen.

Jaren later ging ik samenwonen met mijn vriendje. Wennen aan zijn muzieksmaak kon ik maar moeilijk. The Sex Pistols vond ik niet om aan te horen en Roxy Music veel te clean. Voorzichtig introduceerde ik de nieuwste cd van Sting in ons huis. Tot mijn verbazing en opluchting kon hij het repertoire wel waarderen; mijn affectie voor Sting nam hij maar voor lief. Tijdens een concert in Ahoy, stonden we samen mee te zingen en te genieten. Vriendje werd echtgenoot, maar onze liefde ging uiteindelijk verloren. Ruzie over wie de cd’s van Sting na de scheiding mocht houden, hoefden we niet te maken. Sting was nog steeds van mij.

Elke nieuwe cd schaf ik aan, want de stem van deze blonde Brit weet me telkens weer in vervoering te brengen. De kans om hem opnieuw live te bewonderen, liet ik me dan ook niet ontnemen. Ik was er als de kippen bij, om kaartjes voor Symphonica in Rosso te bemachtigen. Een paar weken na dat concert liet ik mijn vriend foto’s zien van mijn tienerkamer: het hoofd van Sting sierde, in veelvoud en meer dan levensgroot, al mijn muren. Glimlachend besefte ik opeens dat vriendschappen en liefdes zijn vergaan, maar dat Sting door de jaren heen een constante factor in mijn leven is geweest.

Nummer 14

Images Na achttien jaar brak het moment van afscheid nemen in de zomer van 2007 aan. Wat zag ik er tegenop om de sleutel voor de laatste keer om te draaien. Vastbesloten dat met droge ogen en geheven hoofd te doen, had ik daarom al voor de verhuizing mijn emoties de vrije loop gelaten, tijdens het schrijven van deze woorden:

Je hebt onze dochter zien opgroeien van de piepkleine baby tot de dame die ze nu is. (…) Ik ken al je eigenaardigheden. Die ene scheve tegel in de woonkamer. Die rare lichtschakelaar bij de voordeur, die altijd een extra duwtje nodig heeft. Je scheve bad. Ieder piepje en kraakje als het hard waait.(…) Maar je hebt ook K. zien vertrekken. Jouw muren echoën nog steeds onze ruzies, mijn verdriet en woede.(…) Lief huis, ik had hier zo graag oud willen worden, gelukkig willen blijven, onze dochter zien opgroeien. Maar ik kan het niet, omdat de dromen die ik hier had niet uit mochten komen. Stoppen met dromen wil ik niet, omkijken in bitterheid evenmin. Ik wil niet verstikt worden door de herinneringen die overal in jou aanwezig zijn. En daarom moeten we gaan, hebben we straks een ander thuis. Jij blijft speciaal en o, wat zal ik je missen.

Min of meer toevallig beland ik vanmorgen op de website van een makelaar, waar ik zie dat het huis dat ik ooit mijn thuis noemde, opnieuw te koop staat. Aan de foto’s valt af te lezen, dat de huidige bewoners goed voor het huis gezorgd hebben. Tot mijn vreugde staat de Japanse esdoorn, mijn trots, er als vanouds bij. Ik hoop dat de volgende eigenaar ook goed voor het huis en de tuin zal blijven zorgen. Heimwee naar nummer 14 heb ik nooit gehad – alleen de esdoorn mis ik nog wel eens. Maar toch moet ik iets bekennen. Hoewel het huis al lang niet meer op mijn naam staat, blijft het nog steeds een beetje ‘mijn huis’.

Over Albanese en sombere potentiële schoonzoons

Ze heeft beslist geen gebrek aan aandacht, deze vakantie. Griekse, Duitse, Nederlandse jongens verdraaien hun nekken, in een poging nog een extra glimp van haar op te vangen. Ontelbare keren wordt zij op straat gegroet. Ik groet altijd beleefd terug, totdat ik – enigszins gegeneerd – tot de ontdekking kom, dat van mij beslist geen groet verwacht wordt.

Bijna dagelijks strijken we neer op het terras van een bar, waar een jongen werkt die grote indruk op mijn dochter maakt. Dat heeft vooral met zijn opvallende kapsel te maken.  Zijn taak is redelijk simpel: zodra gasten plaatsnemen, moet hij ze voorzien van een glas water. Of hij geen contact met zijn gasten mag maken of dat hij daar te verlegen voor is, weet ik niet. Feit is, dat hij, zonder oogcontact te maken, water rondbrengt. Een begroeting of een vriendelijke glimlach kan er niet vanaf. Het maakt mijn dochter niet uit. Zijn aanwezigheid geeft haar humeur telkens weer een enorme opkikker. Als ik zeg, dat ik hem maar een sulletje vind, springt ze op de kast. ‘Kijk dan hoe leuk hij is,’ roept ze dan. Maar hoe ik ook mijn best doe, ik zie het leuke niet van hem af. Nou ja, hij heeft inderdaad leuk haar, maar verder vind ik hem houterig, bleek en somber.

Enkele tientallen meters verderop bevindt zich een pizzeria, waar een ober werkt, die dankzij zijn hoogblonde haren en staalblauwe ogen, helemaal uit de toon valt bij zijn collega’s. En hij valt als een blok voor mijn dochter. Hoe druk het soms ook op het terras is, hij laat geen gelegenheid onbenut om even langs te lopen. Lief naar haar te lachen of gewoon vanaf een afstand ijzig blauw naar haar te staren. Pas als we voor de derde – en tevens laatste – keer bij hem komen eten, durft hij te vragen hoe mijn dochter heet. Hij stelt zich ook voor en vertelt dat hij in Albanië geboren is en tegenwoordig in Tessaloniki studeert. En in de zomermaanden werkt hij op Samos, waar hij een groot gedeelte van zijn jeugd heeft doorgebracht. 

Als we hebben afgerekend, vertellen we dat morgen ons vliegtuig naar Nederland vertrekt. Ik had hem net zo goed een klap in zijn gezicht kunnen geven. Hij trekt wit weg en kijkt mijn dochter vol verbijstering aan. ‘We didn’t have enough time together,’ stamelt hij. Zij kijkt verlegen de andere kant op, terwijl ik hem vraag hoe oud hij denkt dat zij is. Hij onderwerpt haar aan een blauwe verkenningsblik. ‘Eh, seventeen?’ probeert hij. Ik vertel dat ze pas vijftien is. Veel te jong voor hem. Ik kan natuurlijk moeilijk zeggen dat ze niet zo op blond valt en bovendien alleen maar oog heeft voor de waterjongen.‘But you look like you’re seventeen and I think you’re sweet,’ zegt hij en pakt haar hand. Dochter krijgt er nog net niet de slappe lach van. ‘Ik vind hem leuk,’ zeg ik plagend, als we teruggaan naar het hotel, ‘en hij lijkt me een heel wat gezelliger schoonzoon dan die zwijgzame, neerslachtige waterjongen.’ Dochter giechelt ten antwoord.

De volgende dag staan we te wachten op de bus, die ons naar het vliegveld moet brengen. Er knettert een brommer voorbij. En vanaf het zadel ervan, zendt de waterjongen mijn dochter de breedste glimlach die hij in huis heeft. Een glimlach, waar zij de hele weg naar huis op teert, maar die eenmaal in Nederland al snel verbleekt. Hier wonen gelukkig ook leuke jongens, immers.

De weg naar Pírgos

Vandaag willen we naar Plátanos, dat op een hoogte van 550 meter ligt en daarmee een van de hoogstgelegen plaatsen op Samos is. Op de kaart van het eiland, hebben we gezien dat de weg ernaartoe via ontelbare haarspeldbochten steil omhoog voert. We broeden daarom een alternatief plan uit. We kunnen ook via Karlóvassi, dwars door de bergen en daarmee de zigzagweg op de heenreis vermijden. Onze kleine Matiz houdt nu eenmaal meer van bergafwaarts rijden, dan van klimmen.

Zonder al te veel klimwerk bereiken we Plátanos. Bij de ingang van het dorp wordt de weg beduidend smaller. Geen tegenliggers, gelukkig. Even verderop, staan we opeens midden op het dorpsplein. Tussen de terrasstoelen en –tafels doorlaverend, steken we langzaam het plein over. Een blauw bord met een witte P wijst richting een parkeerplaats, net buiten het dorp. Om er te komen, moeten we ons tussen een boom en een gevel van een cafeetje door wringen. Ik houd daarbij onbewust mijn adem in.

Na een kopje koffie onder de grote platanen op het plein, maken we een wandelingetje door het dorp. Dochter wijst me op de haarspeldbochtenweg, die we straks moeten nemen. Laconiek haal ik mijn schouders op. Naar beneden is voor ons kleine autootje immers een eitje? Aan het begin van de middag zijn we klaar voor de terugreis. De weg voert om het dorp heen, in de richting van de slingerende weg naar beneden. Denken wij. Maar na enkele honderden meters wordt het wegdek slechter. Op een splitsing staat een groot bord, waarop is vermeld dat Pírgos linksaf is, behoorlijk steil naar beneden. Voor ons gevoel klopt dit niet met ons kaartje, maar we besluiten toch maar af te slaan. Na een kilometer is het asfalt opeens op. Rechts staat een militaire kazerne, links buigt een stenig pad af. Voor de hekken van de kazerne zet ik de motor af. Ik besluit de op wacht staande soldaat om raad te gaan vragen.

‘Kijk uit dat je niet wordt doodgeschoten,’ grapt mijn dochter, zodra ik uitstap. De soldaat, blij met een verzetje, gaat er eens even goed voor staan. Hij is niet van hier en heeft dus ook geen idee of het pad naar beneden de weg naar Pírgos is.‘Daar ligt Plátanos,’ wijst hij behulpzaam. Aangezien wij daar net vandaan komen, is dit niet echt een opmerking waar ik veel wijzer van word. Hij denkt dat ik best over het pad kan rijden, maar dan wel ‘very slow’.

Terug in de auto besluit ik de gok maar te wagen. Er is zojuist een pick-up gepasseerd, dus het pad is te berijden. Very slow hobbelen we over rotsige bodem, door kuilen en over uitstekende stenen. Mijn knieën gaan steeds heftiger bibberen en ik kreun zachtjes, als ik weer een kei tegen de onderkant van ons autootje hoor knallen. De pick-up staat even verderop langs het pad geparkeerd. Ik stop en vraag aan het echtpaar in de auto of dit echt de weg naar Pírgos is. De vrouw lacht vriendelijk, de man antwoordt bevestigend. Op mijn kaartje wijst hij het dunne gele lijntje aan, dat wij kennelijk aan het volgen zijn. Mijn ontstelde blik doet hem glimlachen en hij biedt vriendelijk aan, voor ons uit te rijden richting geasfalteerde weg.

Slingerend, om de enorme kuilen te omzeilen, rijdt de man voor ons uit. Ik volg, geconcentreerd proberend zijn route exact te kopiëren. Na een paar kilometer stuiteren (de auto) en kreunen (ik) bereiken we een splitsing. De vriendelijke Griek wijst naar rechts. Die kant op, naar het asfalt. Ik dacht dat we al op een zeer slechte weg zaten, maar er bestaan blijkbaar nog slechtere exemplaren. Dit is niet meer dan een geitenpaadje, steil naar beneden. ‘Het is maar een kilometer,’ probeert de man me gerust te stellen. ‘Aan het eind ga je links en dan opnieuw links en dan zit je op de weg naar Pírgos’. Ik geef de man een zweterig handje, bedank, zwaai nog een keer dapper en schakel naar de eerste versnelling.

‘Mijn hemel, oh bah, gatsie,’ mompel ik binnensmonds, terwijl ik ons koekblikje stapvoets over het smalle pad manoeuvreer. Voorbij een bocht zie ik opeens iets donkergrijs door de bomen schemeren. ‘Asfalt!’ juich ik, bijna hyperventilerend van opluchting. Een paar minuten later stuiteren we de doorgaande weg op. Onder een boom zet ik de auto aan de kant. Het duurt minstens vijf minuten, voordat mijn knieën uitgebibberd zijn en ik in staat ben gas, koppeling en rem weer fatsoenlijk te bedienen. ‘Het was wel een prachtige route,’ merkt mijn dochter droogjes op. Het is mij niet opgevallen. Ik was te druk met bibberen, remmen, sturen en kuilen en rotsen vermijden.

Miss misser

Van wie ik het heb? Geen flauw idee. In mijn familie is er niemand, die zich zo vaak stoot, zo regelmatig struikelt, dingen laat vallen of beschadigt. Tot ernstige ongelukken heeft mijn onhandigheid nog nooit geleid; wel tot zeer gênante situaties.

Ingespannen tuur ik door de tralies. Opa had toch gezegd dat er konijntjes geboren waren? De lucht van konijnenkeutels en hooi kriebelt in mijn neus, die ik, van pure opwinding en nieuwsgierigheid, tussen de tralies probeer door te steken. Ik hoor een droge krak, waarna mijn blik op de wereld verandert. Redelijk scherp wordt plotseling soft focus. Mijn brilletje ligt doormidden gebroken op de grond. Gelukkig kan opa de schade herstellen met een paar druppels Bisonkit. Een vuilgeelgroen litteken in de brug tussen de glazen, ontsiert mijn lila kinderbril daarna voorgoed.

Sinds een half jaar ben ik lid van de plaatselijke korfbalclub. Mijn puberale onhandigheid laat me regelmatig boven, onder of naast een mij toegeworpen bal grijpen. Maar vandaag heb ik geluk en valt de bal min of meer spontaan in mijn handen. Ik aarzel geen moment, spring en laat hem met een sierlijk boogje in de korf vallen. Juichend draai ik een rondje om mijn eigen as en het duurt even, voordat ik begrijp waarom de tegenstanders zo blij zijn, terwijl mijn teamgenoten me verwijtend aankijken. Daarna mag ik nog lang bij wedstrijden op de reservebank plaatsnemen.

Met een zucht laat ik het laatste dossier bovenop de stapel vallen. Naar het archief met die berg! Het donkerrode tapijt op de trap is glad. Ik voel mijn linkervoet wegglijden. Even later zit ik op mijn billen middenin in de hal van het kantoor, waar ik sinds een paar weken werk. Mijn rok is tot mijn middel omhooggeschoven, de dossiers liggen in een grote waaier van kartonnen mappen en losse documenten om me heen. Het is ongewoon druk in de hal; alle stoelen zijn bezet. Verstijfd van schrik kijken de wachtende cliënten naar mij. Ik kijk niet terug en krabbel beschaamd overeind. Zo snel mogelijk hark ik alle dossiers en hun inhoud bij elkaar en haast ik me de trap weer op. Ik voel acht paar ogen in mijn rug prikken tijdens mijn bepaald niet glorieuze aftocht.

Hij had er een hekel aan, als ik boven hem uittorende. Sinds de scheiding kunnen hakken mij daarom niet hoog genoeg zijn. Al een tijd heb ik hem niet meer gezien, maar vandaag hebben we belangrijke dingen te bespreken. Ik stap uit mijn auto en schrijd zo waardig mogelijk op mijn ultrahoge hakken richting restaurantterras. Bij de ingang ervan, voel ik mijn rechtervoet wegzakken. De hak van mijn pump zit muurvast in de kier tussen twee vlonderplanken. Het duurt even, voor de toegesnelde ober mij de schoen, met gedeeltelijk ontvelde hak, kan overhandigen. De gasten op het terras hebben zich kostelijk vermaakt. Hetzelfde geldt voor mijn ex, die uitgerekend vandaag eens op tijd is voor een afspraak.

Wat onhandigheid betreft, span ik echt de kroon. Zou er ooit een verkiezing georganiseerd worden in het begaan van missers, dan zou ik winnen. Ik durf alleen te betwijfelen, of ik de sjerp met de titel: Miss Misser, met trots zou durven dragen.

Nieuwe fase

Flute

Een traan drupt langs mijn neus, zodra ik de eerste klanken hoor. Voor de allerlaatste keer staat ze daar, speelt ze, samen met haar vriendin en hun docente op de dwarsfluit. Kijk haar staan: stoere spijkerbroek, shirtje met zwarte en rode strepen. Haar haren korter dan ooit, in een stoere coupe, doorschoten met blonde en bruine strepen. Om haar rechterpols heeft ze een paarse bandana geknoopt. Aan haar linker prijkt het inmiddels verkleurde en bijna versleten lintje van een onlangs bezocht popfestival.

Hoe kort geleden lijkt het, dat ze voor het eerst moest fluiten voor publiek. Elf was ze en zo nerveus, dat er geen lachje vanaf kon. Haar mooiste kleren aan – een keurig rokje met dito shirt – en haar lange blonde haren in een paardenstaart. Braaf stond ze te spelen, haar muziekstandaard op de hoogste stand, om de ogen van het publiek niet te hoeven zien. Loepzuiver klonk het nog niet, maar ik applaudisseerde na afloop, alsof ze een stuk van Vivaldi foutloos had gespeeld.

Natuurlijk is ze in de loop van de jaren steeds beter gaan spelen. Zo mooi soms, dat ze me kippenvel bezorgt. Maar ze heeft er genoeg van. Dwarsfluiten, vindt ze, is voor softies. Ze heeft haar hart verpand aan haar piano, gaat stralend naar piano- en zangles, komt er zingend vandaan. Ze zal haar dwarsfluit nog wel eens pakken, maar er is opnieuw een eind gekomen aan een levensfase. De brave fluitiste is verhuisd, heeft haar plek afgestaan aan een enigszins ruige zangeres/pianiste. Het stemt me weemoedig en tegelijkertijd trots. Mijn dochter lijkt steeds meer haar eigen weg te vinden en durft dat ook uit te stralen. Met een goed en enigszins melancholisch gevoel ga ik samen met haar een nieuwe fase in.

Alles klopt

Er zijn van die zeldzame dagen, waarop alles klopt. Na het opstaan, valt me onmiddellijk de wolkenloze lucht op. Het is al warm genoeg om zonder jas naar yogales te fietsen. Volkomen in balans lig ik om negen uur op mijn matje. Verbazingwekkend buigzaam voert mijn lijf alle opdrachten uit. Op weg naar huis fiets ik fluitend langs de banketbakker. De zoete geur van chocolade komt me op de drempel al tegemoet en als ik een geweldige verjaardagstaart voor mijn dochter bestel, voegt een feestelijk gevoel zich toe aan mijn harmonieuze stemming.

Bruisend van de energie ga ik thuis meteen met wat achterstallige klusjes aan de slag. Ik ontvang een compliment voor een onlangs ingeleverde vertaling en een alleraardigst mailtje van iemand die ik al een tijd niet meer gezien heb. Even later geniet ik van een kopje koffie in de zon. Ik kan de verleiding niet weerstaan en begin in een boek, dat me al een paar dagen ligt aan te kijken. Al lezend, reis ik op het ritme van de samba door Zuid-Amerika.

Terwijl ik een paar boterhammen sta te smeren, veel oude kaas, een berg rucola daar bovenop, kleppert de brievenbus. Altijd nieuwsgierig naar wat de postbode brengt, race ik de trap af. Een enkele envelop, dit keer, met daarin een certificaat en een begeleidend briefje, dat vermeldt dat ik met een acht ben geslaagd voor een onlangs afgelegd examen.

Na een fijne zangrepetitie loop ik aan het eind van de avond naar mijn auto. Opgeladen, zachtjes nazingend, vis ik mijn telefoon uit mijn tas: even laten weten dat ik onderweg ben. Het ene moment druk ik op thuis, het volgende moment lig ik languit op straat, de telefoon, in onderdelen uit elkaar gevallen, een meter bij me vandaan. Kermend sta ik op en strompel ik naar mijn auto. Vandaag klopt alles. Zelfs mijn rechterknie.

Voetafdrukken in mijn hart

Bij thuiskomst vinden we een kaartje op de mat. Op de voorkant een veld vol bloemen en de woorden ‘Alles gaat voorbij’. Binnenin gedrukte tekst en een afscheidsberichtje, in haar eigen handschrift.

Het moet ergens in de jaren vijftig zijn geweest, dat de basis werd gelegd voor de levenslange vriendschap tussen haar gezin en dat van mijn ouders. Zo af en toe kwamen we bij elkaar over de vloer en tijdens mijn puberteit reisde ik af en toe zelfstandig naar Nijmegen, om er een paar nachtjes te logeren. Haar oudste zoon fascineerde me mateloos, indertijd. Stiekem heb ik een tijdje gedroomd, dat zij mijn schoonmoeder zou worden. Maar ondanks het feit dat het lot anders besliste, bleef zij een bescheiden rol in mijn leven spelen.

Steeds opnieuw wist ze mij te verbazen en inspireren met haar veerkracht, optimisme en levensvreugde. Haar leven werd getekend door reuma, maar haar karakter stond haar niet toe, daarover haar beklag te doen. Toen haar man overleed, wist ze talloze helpende handen en troostende schouders om zich heen te verzamelen. Ze bleef genieten, van haar jongens, haar kleinkinderen en van talloze kleine dingen: foto’s, herinneringen, haar zonovergoten tuin op een warme middag in augustus.

Op een druilerige februarimiddag bellen mijn moeder en ik bij haar aan. De geur van versgezette koffie komt ons tegemoet, als ze stralend de deur voor ons opendoet. Terwijl we gedrieën genieten van een gebakje, herhaalt ze hoe heerlijk ze het vindt, dat we er zijn. Eventjes foetert ze op me, als ik vertel over een onlangs ontvangen bekeuring. Zij is de enige van wie ik een dergelijke berisping kan verdragen. Het is al avond, als we in de auto stappen. Zij zwaait uit alle macht, vanachter het raam en wij verheugen ons alvast op een volgend bezoekje.

Met stille trom, op haar eigen bescheiden wijze afscheid nemend, is ze voorbij gegaan. Maar niet zonder voetafdrukken achter te laten. Voetafdrukken in de harten van allen die haar dierbaar waren.

Verwaaide magie

Van kilometers afstand heeft hij iets magisch, die enorme puist die zich uit de zee verheft. Talloze malen stop ik in de berm om een foto te maken. De Mont-Saint-Michel trekt ons, net als vele andere toeristen, aan als een magneet. De parkeerplaats op de dam staat barstensvol autox92s en touringcars. Zodra we uitgestapt zijn, worden we bijna uit onze veel te zomerse jassen geblazen. Recht tegen de wind in, moeten we, de hele dam af. Met tranende ogen, zere oren en verwaaide haren bereiken we tien lange minuten later de poort, die toegang geeft tot de smalle, stijgende weg naar de abdij en de kerk. De route naar boven is bezaaid met souvenirwinkeltjes en eetgelegenheden en vergeven van de toeristen. Schuifelend zoeken we onze weg naar boven. Links roept iemand: ‘Nou ophouden met janken, Elmer!’ Rechts verdringt een groep Japanners zich om een foto te maken van een crêpe etende landgenoot.

Eenmaal uit de drukte, zijn we meteen ook uit de luwte. Opnieuw worden we gegeseld door de wind, die ons verkleumt en ons de moed ontneemt, om de treden naar de abdij te nemen. We maken rechtsomkeert, op zoek naar verwarming en waaien een restaurant in. Naast ons zitten vier Oostenrijkse meisjes te eten. De geur van hun spaghetti Bolognese vermengt zich met die van onze warme chocolademelk. Een klein beetje opgewarmd, gaan we nog even een sieradenwinkeltje in. De eigenares roept in het wilde weg: ‘Zoekt u iets speciaals, mevrouw?’ Wij reageren net zomin als de andere, in de winkel aanwezige dames. De eigenares herhaalt haar vraag, op nog dringender toon. Ik kijk haar aan en ze wijst op mijn dochter, die helemaal opgaat in de voorraad oorbellen. ‘Spreekt ze Frans, Engels, Duits?’ vraagt de eigenares op agressieve toon. ‘Frans,’ bevestig ik, waarop zij boos uitroept: ‘Dan kan ze toch antwoorden, ik praat toch niet tegen de muur!’

We hebben genoeg van de drukte, de storm en deze boze dame. We gaan terug naar de auto, wind mee, deze keer en dat scheelt in wandelminuten. Een paar kilometer verderop maak ik een foto van een pittoreske molen, gelegen tussen de koolzaadvelden. Als ik me omdraai ontwaar ik in de verte opnieuw de Mont-Saint-Michel. Ik kan het niet laten om nog een foto te maken. Ik vind het bijna jammer dat we er geweest zijn, want er is voor ons iets van de magie verloren gegaan. Verwaaid, misschien? Maar een mooi plaatje blijft het nog steeds.