Stickers plakken

“We willen zelf graag uniek zijn, terwijl we iedereen die afwijkt van onze standaard abnormaal vinden.”  ~ RvA

‘Je bent echt prachtig,’ bevestig ik voor de zoveelste keer, ‘en weet je wat ik het allermooist aan je vind?’ Mijn dochter kijkt me vragend aan. ‘Je durft eindelijk te laten zien wie je bent en dat is iets om trots op te zijn.’ Ze heeft een lange weg afgelegd om te komen waar ze nu is, gevochten om haar eigen identiteit en zelfrespect te vinden. Waar zij anderen nooit op uiterlijk zal beoordelen, zijn er telkens weer mensen die in haar unieke verschijning een aanleiding vinden, om haar een sticker met het woord  ’gothic’ of ‘emo’ op te plakken.

Vandaag zit er bijna uitsluitend was van mijn dochter in de droger. Zodra ik het deurtje geopend heb, rollen er T-shirts en panty’s vol gaten uit. De shirts vouw ik zorgvuldig op – aan strijken doe ik al jaren niet meer – en de panty rol ik tot een compact knoedeltje. Dan roep ik naar beneden dat ze zich echt moet gaan aankleden, nu. ‘We hoeven toch pas over anderhalf uur weg?’ zegt ze verbaasd. ‘Ja, daarom juist,’ antwoord ik, want ik weet hoe dat gaat.

Na een kwartier komt ze me outfit nummer een laten zien: ‘Hoe vind je dit?’ Ze heeft een van de zojuist door mij opgevouwen shirts aangetrokken boven een felroze met zwart rokje. Een panty vol eindeloze ladders completeert het plaatje.  ’Gaaf,’ zeg ik, naar waarheid, hoewel iets met zoveel gaten strikt genomen het predicaat ‘gaaf’ niet verdient. ‘Ik weet het niet,’ zegt ze weifelend, terwijl ze de trap op loopt. Een dikke tien minuten later staat ze weer voor mijn neus. De panty is nog dezelfde, maar nu heeft ze een zwart jurkje met tule aan, met daaroverheen een ander verknipt shirt. Ik moet lachen om haar vragende blik. ‘Net zo gaaf als dat andere setje,’ zeg ik, waarna ze opnieuw naar boven gaat.

Vijf minuten voordat ik wil vertrekken, begin ik alvast aan te kondigen dat we zo echt gaan. Even later komt ze stralend de trap af. Haar ogen, die net als altijd aarzelen tussen groen en bruin, heeft ze prachtig opgemaakt. Om haar beide polsen bungelen armbandjes in alle soorten en kleuren. Ze loopt rinkelend voorbij en buigt zich over het volgende en tevens laatste hoofdstuk van het aankleedritueel: de schoenen. Net als ik denk dat ze voor haar stoere Dr. Martens zal kiezen, pakt ze haar hooggehakte laarsjes. Nadenkend blijft ze staan en dan bukt ze zich, zet de laarsjes terug en kiest toch voor de felrode en torenhoge pumps.

We zijn nog maar koud op het feestje, als een mevrouw mijn dochter een hand geeft met de woorden: ‘Jij gaat steeds meer op mijn nichtje lijken. Die is ook gothic of emo of zoiets.’ Ondertussen gaan haar ogen, waarin een flinke vleug afkeur te lezen valt, van mijn dochters make-up via haar kleding naar haar schoenen. Ik haal diep adem en zeg: ‘Mijn kind lijkt hooguit op zichzelf en ze hoeft geen sticker.’ De vrouw legt een hand op de schouder van haar nog jonge dochtertje. Ik mag hopen dat het meisje straks net zo uniek wordt als mijn prachtige dochter en dat haar moeder tegen die tijd het stickers plakken heeft afgeleerd.

Met dank aan de storm

Ze overrompelt me met haar vraag. Als ik het me goed herinner, was ik vijftien toen ik voor de eerste keer ging. Zij is inmiddels zestien en een half en bracht de afgelopen maanden het onderwerp wel eens halfslachtig ter sprake. Ik luisterde dan naar haar, zei zo nu en dan dingen als: ‘Dat zien we wel als het zover is,’ en schoof het ‘probleem’ dus lekker voor me uit. Maar vanmiddag is het voor het eerst een serieus gespreksonderwerp. En ze verwacht van mij duidelijk geen vooruitschuifpolitiek, maar een duidelijke mening. Nou, eigenlijk gewoon een ‘ja’.

Met haar liefste glimlach kijkt ze me verwachtingsvol aan. ‘Ach, het moest er een keer van komen,’ zeg ik berustend, waarna haar gezicht openbreekt in een grijns van oor tot oor. Ze is al onderweg om haar vriendin die boven op haar wacht, het goede nieuws te brengen. ‘Ho, ho, hoe laat gaat het worden?’ vraag ik. ‘We zijn denk ik om een uur of een wel thuis,’ zegt zij. ‘Oh nee, ik kom jullie halen,’ pareer ik. Meteen besef ik dat zoiets natuurlijk niet stoer is. Haar vriendin, ondertussen redelijk ervaren in het uitgaan, mag van haar ouders op de fiets. Dat is voor mij op dit moment nog een brug te ver. Gelukkig geselt de regen de ramen en is de wind zo hard, dat losse boomtakken door de straat vliegen en daarom zeg ik: ‘Stappen, oké, maar dan breng en haal ik jullie. Het is echt geen weer om te fietsen.’

Na het eten, uitzonderlijk vroeg voor ons doen, gaan de dames naar boven. Het duurt uren voor elk plukje haar op de gewenste plek zit en elke wimper met een laagje mascara bedekt is. Om half elf zijn ze eindelijk zover. Ze lopen de kapstok voorbij en als ik vraag of ze niet iets vergeten, is het antwoord in stereo: ‘Nee, we doen geen jas aan.’ Zelfs binnen, bij de verwarming, staan ze te bibberen vanwege hun allesbehalve winterse uitgaanskleding. ‘Je kunt nergens je jas kwijt,’ beweert vriendin-met-ervaring. ‘Alleen tegen betaling,’ voegt ze eraan toe, nadat ik heb gezegd dat me dat stug lijkt. ‘Die paar euro betaal ik dan wel,’ zeg ik, terwijl ik mijn dochter een briefje van vijf euro in haar handen druk.

Als ik ze bij het Willemsplein heb afgezet, kijk ik ze na in mijn achteruitkijkspiegel. Ze hebben nu al lol, zie ik. Ik rijd naar huis, zet de muziek (míjn muziek) lekker hard en pak een boek. Hoewel ik normaal gesproken een hekel heb aan storm en regen, ben ik de weersomstandigheden vanavond dankbaar. Me zorgen maken over of ze veilig thuiskomen, hoef ik niet. Straks ga ik de meisjes lekker ophalen!

Het perfecte kerstcadeau

De oogst tot nu toe: een kerstboomstandaard en een kaartje met barcode voor een zo meteen af te rekenen en later af te halen boom. Mijn dochter is, zoals gebruikelijk, even bij de dwergkonijntjes gaan kijken. Ik parkeer de bijna lege winkelwagen iets verderop en loop terug naar de konijnenhokken. Ik vind haar met haar neus tegen het glas van een ervan. ‘Die zwarte in het hoekje,’ murmelt ze. ‘Die is inderdaad wel heel schattig,’ geef ik toe. Ze kijkt me hoopvol aan, alsof ze mijn aarzeling voelt. Konijnen doen me aan mijn kindertijd denken.  Bovendien weet ik hoe lang mijn dochter al droomt van een konijntje. Maar dan recht ik mijn rug, komt de verstandige moeder om de hoek kijken. De moeder die ongelofelijk veel prachtige excuses kan verzinnen – we hebben ook al een kat, als we op vakantie gaan moeten we nog een extra logeeradres zoeken – om de konijnendroom van haar dochter voor de zoveelste keer in rook op te laten gaan.

Voorzichtig probeer ik haar los te weken van het konijnenhokglas. Als een klein meisje loopt ze mokkend achter me aan. Ergens tussen de kerstballen en de bloempotten blijft ze plotseling staan. Haar ogen vonken als ze zegt: ‘Ik dacht echt dat je dat zwarte konijntje zou kopen.’ Ze heeft mijn aarzeling dus gevoeld. Ik som al mijn bezwaren nog maar een keer op; zij kent ze stuk voor stuk en laat teleurgesteld haar hoofd zakken. Er rolt een traan langs haar neus en opeens lijken al mijn smoezen me volslagen belachelijk.  Mens, denk ik, doe niet zo flauw en gun haar dat plezier gewoon. Ik haal diep adem, keer de winkelwagen en zeg: ‘Ga jij eens even vragen wat we allemaal nodig hebben om een konijn te houden.’ Het gezicht dat ze trekt is onbetaalbaar. ‘Oh, echt waar?’ zwijmelt ze. Opnieuw worden haar ogen vochtig; van blijdschap dit keer. Ze zweeft richting verkoopmedewerkster, maar pas nadat ze me een dikke zoen gegeven heeft.

‘Luister, je krijgt dan verder geen kerstcadeau meer,’ meld ik voor de zekerheid, terwijl ik worstel om,  naast een flink uit de kluiten gewassen boom,  een standaard,  een konijnenkooi, zaagsel, voer, hooi, een etensbakje en een drinkflesje in de kofferbak te laden. ‘Ik hoef nooit meer iets voor Kerst,’ roept zij stoer. Thuis schudt ze de dennennaalden uit de kooi en brengt hem naar boven. Zodra ze het ding gevuld heeft met hooi en zaagsel en ik de boom provisorisch – hij helt vervaarlijk naar een kant – in de standaard heb gezet, gaan we terug naar het tuincentrum. Louise, het zwarte dwergkonijntje, wacht er op mijn dochter.

Tijd om te helpen met het optuigen van de boom heeft ze natuurlijk niet. Ze zit volkomen gelukkig op de bank, het konijntje in een handdoek gewikkeld, dicht tegen haar aan. Terwijl ik de laatste bal in de kerstboom hang, zie ik hoe ze zich voorover buigt en een kus op het konijnenkopje drukt. ‘Je bent het mooiste cadeautje ooit,’ fluistert ze. Ik heb geen verlanglijstje, deze Kerst. Mijn kind zo intens gelukkig zien is het mooiste cadeau dat ik me wensen kan.

Dag Sinterklaasje

In elk gezin breekt onvermijdelijk het moment aan, waarop een mysterie onthuld moet worden. Voor ons was dat het geval op 6 december 2002.

Samen met dochterlief ga ik naar het tuincentrum, dat is veranderd in een sprookjesachtig kerstlandschap. We zijn op zoek naar nieuwe lampjes en ballen voor de nog aan te schaffen kerstboom. De lucht is zwaar van de geur van dennennaalden en sneeuwspray. Plotseling verspert een enorme, opgeblazen Kerstman van plastic de weg. Vol bewondering blijft mijn dochter staan, haar hoofd in de nek. ‘Joey zei vandaag dat de Kerstman niet bestaat. Is dat zo, mam?’, vraagt ze, terwijl haar blik aan het kunststoffen gevaarte blijft kleven. Ik antwoord nietsvermoedend dat de Kerstman inderdaad een verzinsel is en vraag: ‘Ga je mee?’ Ze huppelt achter me aan, pakt dan mijn hand en blijft opnieuw staan. ‘En Sinterklaas?’, vraagt ze. ‘Je bent gisteren nog enorm door hem verwend,’ zeg ik glimlachend, waarna een diepe frons in haar voorhoofd verschijnt.

In de loop van de middag komt de Goedheiligman niet meer ter sprake. Dat dit niet wil zeggen dat het onderwerp haar niet meer bezighoudt, blijkt ‘s avonds, aan tafel. Vol trots vertelt ze aan haar vader dat ze inmiddels weet dat de Kerstman niet bestaat. ‘Oké,’ zegt hij. Maar dan herhaalt ze haar korte vraag van vanmiddag: ‘En Sinterklaas?’ Ik verslik me bijna in een hap macaroni en kijk mijn man aan: wat nu? Ik vind het een beetje zonde om het mysterie nu al te ontrafelen; het zou zo leuk zijn als ze nog een jaartje tot de ‘gelovigen’ zou behoren. Anderzijds houd ik er ook niet van, om te liegen tegen mijn kind en bovendien is ze zeven-en-een-half, oud genoeg om niet meer in de Sint te geloven. ‘Nou, nee,’ steek ik voorzichtig van wal, ‘Sinterklaas bestaat niet.’ Ik probeer iets over de geschiedenis van de heilige Nicolaas en het ontstaan van de Sinterklaastraditie te vertellen. Dochterlief is eerst geschokt, vervolgens een beetje teleurgesteld en daarna trots op het feit dat ze nu blijkbaar oud genoeg is om dit geheim met ons te delen. Toch is er iets wat haar nog niet helemaal lekker zit. ‘Maar wie heeft er dan al die jaren die cadeautjes gekocht?’, wil ze weten. ‘Wij,’ antwoord ik. Het blijft een poosje stil, ze denkt diep na en zegt vervolgens: ‘Maar jullie zijn toch helemaal niet rijk genoeg om cadeautjes te kopen voor alle kinderen in Nederland?’

Pinkpop over vijf jaar

Op de site van popcentrum Jacobiberg schreeuwt hun advertentie: ‘Wil je over vijf jaar met ons op het hoofdpodium op Pinkpop staan?’ Mijn dochter, al tijden op zoek naar een nieuwe band, neemt contact op, maakt een afspraak voor een auditie en krijgt een paar dagen later een demo toegestuurd. De opdracht: maak hier voor donderdag een lied van. Elke vrije minuut is ze aan het sleutelen met woorden en noten. ‘s Avonds gaat ze slapen met een notitieblok naast haar hoofdkussen. Op woensdag is het nummer af. Ze laat het me horen en het klinkt goed; ik ben trots op haar.

Gespannen wacht ik op haar thuiskomst. Als ze, volkomen verkleumd, van haar fiets stapt, is ze niet al te optimistisch. ‘Het ging wel goed, ze waren te spreken over mijn stem. Maar ze zetten eerst drie keer het verkeerde nummer in. Toen ze wel het goede nummer speelden, was dat zo hard, dat ik er nauwelijks bovenuit kwam. ‘

‘Helaas,’ schalt de drummer twee dagen later door de telefoon, ‘hebben we moeten besluiten dat we je nog een tweede keer willen horen.’ Mijn dochter verschuift in een paar seconden van teleurgesteld, via verbaasd naar opgetogen. Ze ontvangt een nieuwe demo in haar mailbox, met eenzelfde opdracht als voor de eerste auditie. Opnieuw gaat ze in de weer met notitieblok, piano en haar stem. Na een weekend ploeteren heeft ze een geweldig nummer klaar. En dan logt ze nog even in op Facebook.

‘Wat is dit?’ hoor ik haar roepen. De drummer heeft gisteren een oproep op Facebook geplaatst: ‘Wil jij met ons op Pinkpop staan over vijf jaar?’ Ik vind dit van weinig fatsoen getuigen en dan druk ik me zwak uit. Ze herstelt zich verbazingwekkend snel en het lijkt alsof deze respectloze actie voor haar een extra stimulans is. ‘Ik zal ze donderdag eens wat laten horen,’ zegt ze verbeten.

Na haar tweede auditie vertelt ze dat de band van alles op haar nieuwe lied en op haar stemvolume had aan te merken. Ze zucht diep, neemt een slok van haar warme chocolademelk en kijkt me aan. ‘Volgende week moet ik voor de derde keer en dan mag ik een nummer van Evanescence zingen’ zegt ze berustend. Ik begin er ondertussen een beetje genoeg van te krijgen. De band moet in december optreden en dat wordt lastig, zonder zangeres. Ik heb het vermoeden dat mijn dochter aan het lijntje gehouden wordt, zolang er zich niet iemand met meer podiumervaring aandient.

Met gemengde gevoelens gaat ze naar de derde auditie. De jongens hebben, ondanks hun belofte, niet de moeite genomen ‘Everybody’s Fool’ in te studeren. Dochter is teleurgesteld, zingt nog maar een keer de nummers die ze eerder geschreven heeft. Ze hoort niet meteen of ze aangenomen is, want de band wil eerst nog overleggen. Bovendien komt er morgen een zangeres auditeren, die al eens in Paradiso heeft gestaan. Dochter trekt haar conclusies en verdiept zich thuis in een pakkende tekst voor een door haar te plaatsen advertentie.

Als de drummer haar twee dagen later meldt, dat ze niet in hun plaatje past, is ze niet verbaasd. Hij wil het gesprek zo snel mogelijk beëindigen en zegt: ‘We zien je vast nog wel eens bij een van onze optredens.’ ‘Misschien komen jullie wel een keer naar mij luisteren,’ slaat zij terug, voordat ze de verbinding verbreekt. ‘Ik had er eigenlijk op Pinkpop aan toe willen voegen,’ glimlacht ze, maar ik wilde niet zo arrogant zijn als zij.

De wereld vergaat een beetje

Vroeger kon mijn moeder, aan de manier waarop ik aan kwam fietsen, zien hoe mijn schooldag was geweest. En net zoals zij mijn lichaamstaal kon lezen, zie ik onmiddellijk aan mijn dochter hoe het met haar gaat. Ze komt niet gewoon naar me toe lopen, ze zweeft bijna. Haar gezicht verraadt niets, staat neutraal, maar voordat ze bij de auto is, weet ik het al. Zij en Sam hebben een ‘meet and greet’ met de Black Veil Brides gewonnen. De hele tocht vanuit Limburg raakt ze er niet over uitgepraat. De mail van Sam heeft indruk gemaakt op de mensen bij Up Magazine. Overmorgen staat mijn dochter oog in oog met Andy en zijn band.

De volgende dag gaat ze naar de kapper. Nu is het nog belangrijker, om er morgen perfect uit te zien. Plotseling ontvang ik een sms’je van haar. Voordat ik het open, denk ik dat ze misschien over een heel extreme kleur wil onderhandelen met mij. Ik verslik me in mijn koffie, als ik lees wat er staat: slechts één drieletterwoord, vijftien keer herhaald. Ik aarzel geen moment en bel haar. Redelijk nuchter meldt ze: ‘Andy heeft een hersenschudding en een gebroken neus, het concert is afgelast.’ Ze klinkt alsof ze het nog niet helemaal geloven kan. Zodra ze thuis is, speurt ze op internet naar nieuws. Er is weinig te vinden, maar de foto die Andy op Twitter gezet heeft, laat niets te raden over. Zijn gezicht ziet er nogal ‘verbouwd’ uit. ‘Geblesseerd geraakt op het podium, laat hij weten.’ Hoewel mijn dochter – zoals een echte fan betaamt – met hem te doen heeft, is ze enorm teleurgesteld. De stille hoop dat het concert alsnog doorgaat, na de concerten in Londen en voordat de band terugkeert naar de VS, houdt haar op de been.

Maandenlang heeft ze naar dit concert uitgekeken. Ze heeft zoveel energie gestoken in het meedoen aan de prijsvraag en het wachten op de uitslag. De gedroomde ontmoeting met de band was de kers op de taart. En nu gaat die kers opeens aan haar neus voorbij, met taart en al. In de loop van de dag laat de band weten, na Londen meteen door te reizen naar huis. Het concert in Amsterdam wordt uitgesteld tot volgend voorjaar. Up Magazine laat weten niet te kunnen garanderen, dat de ‘meet and greet’ dan nog doorgaat. Pas dan breekt mijn kind. Natuurlijk vergaat de wereld niet, maar voor haar wel op dit moment. Een beetje.

Bijzondere vriendschap

Ze zijn enorm aan elkaar verknocht. Dat komt doordat ze erg goed met elkaar kunnen praten en dezelfde soort humor hebben. Maar misschien is hun grootste gemene deler toch wel muziek. Sam en mijn dochter zijn allebei dol op alternatieve bands, bezoeken samen festivals en concerten. Maar dan steekt een fikse ruzie een spaak in hun relatiewiel. Ze verbreken het contact en in de maanden die volgen, missen ze elkaar vreselijk. Pas na een halfjaar, vlak voor haar verjaardag, durft hij weer een toenaderingspoging te doen.

Andy grijnst me vanaf een poster in de kamer van mijn dochter toe. Hij is de zanger van een van haar favoriete bands. Zonder make-up is deze Amerikaanse jongen beslist een lekker ding. Met zijn zwartomrande ogen, zwartgeverfde lippen en geschminkte littekens ziet hij er niet zo aantrekkelijk uit. Vind ik, althans, want mijn dochter is weg van zijn podiumuitmonstering. En in oktober kan ze hem live gaan bewonderen, want dan komt hij met zijn band naar de Melkweg. Omdat Sam weet hoe graag ze naar een concert van deze band wil, heeft hij voor haar verjaardag twee kaartjes gekocht. Eentje voor haar, eentje voor hem.

Een paar weken voor het concert organiseert een blad een wedstrijd. Er is voor tien duo’s een ontmoeting met de leden van ‘Black Veil Brides’ te winnen. Mijn dochter praat over niets anders meer. Andy in levenden lijve ontmoeten, een hand kunnen geven (met een beetje mazzel zelfs een knuffel) is iets waar ze al zo lang van droomt. Ze gaat aan de slag met borstel, haarlak en make-up en maakt daarna tientallen zelfportretten. Dat is het makkelijkste gedeelte van de prijsvraag. Over het opstellen van de bijbehorende e-mail doet ze aanmerkelijk langer. Pas na een week is de tekst, waarmee ze de mensen bij Up Magazine moet overtuigen, af. En dan nog twijfelt ze, of het duidelijk genoeg is.

Natuurlijk weet ook Sam van de wedstrijd. Hij heeft niet zo de behoefte om de band te ontmoeten, maar belooft haar, ook mee te doen. Het spreekt voor zich dat, mocht hij winnen, mijn dochter hem mag vergezellen. Een paar dagen nadat zij haar mailtje heeft verstuurd, heeft Sam ook zijn boodschap overgebracht . Hij stuurt haar een kopietje en zij leest het mij voor. ‘Ik wil de band best graag ontmoeten, maar ik doe eigenlijk mee voor mijn beste vriendin. Ik wil haar zo graag gelukkig zien en weet dat BVB ontmoeten haar droom is. Het zou geweldig zijn, als die droom uit zou komen.’ Ik krijg er een brok van in mijn keel. Wat ben ik blij, dat mijn dochter, die al zo vaak teleurgesteld werd in haar vriendschappen, dit mag ervaren.

Stevige schoenen

Het is me al een tijd duidelijk, dat het niet lekker gaat. Waar mijn dochter een paar maanden geleden straalde, goed in haar vel zat, piekert ze nu voortdurend. Donkere kringen onder haar ogen verraden dat ze ook ’s nachts door blijft malen. Na jaren van onzekerheid begon ze weer wat zelfvertrouwen te krijgen, maar ook daarvan is de laatste tijd weinig meer over. ‘Is het normaal mam, dat mijn vriendje zegt dat ik niet het mooiste meisje ben dat hij kent? vraagt ze me op een avond. Ik ben verbijsterd. Hij zegt voortdurend dat ze niet zo onzeker moet zijn, maar met een dergelijke opmerking voedt hij haar onzekerheid alleen maar.

Tussen de lessen door wil haar vriendje liever niet steeds bij haar zijn. Dat beklemt hem. Machteloos kijkt mijn dochter dus toe, hoe hij in de pauzes zijn aandacht over zoveel mogelijk meisjes probeert te verdelen. Ze dragen hem op handen en dat is, gezien zijn uiterlijk, ook te begrijpen. Maar mijn dochter begint steeds meer te beseffen, dat er onder die oppervlakkige schoonheid weinig moois zit. ‘Ik ben in de afgelopen maanden vaker diep ongelukkig geweest, dan in de jaren ervoor,’ zegt ze op een middag. ‘Dat lijkt me niet de bedoeling van een relatie,’ zeg ik tegen haar. Ze schudt haar hoofd, verdrietig. Op vrijdag hakt ze de knoop door. Ze legt hem uit dat ze op deze manier niet verder wil. Hij schreeuwt tegen haar, is boos. In het weekend probeert ze met hem te praten, maar hij heeft het relatiebijltje er al bij neergegooid. ‘Jouw onzekerheid is jouw probleem; ik heb geen zin om daar ons probleem van te maken,’ snauwt hij haar toe.

Vanochtend is haar gezicht wit van het slaapgebrek. Haar haren heeft ze in een los staartje bij elkaar gebonden. Ze is bijna klaar om naar school te gaan, waar ze haar inmiddels ex-vriendje weer zal zien. Ik weet hoe erg ze tegen deze confrontatie opziet. Hoe zal hij zich gedragen, hoe moet zij zich gedragen? Op kousenvoeten snelt ze naar boven, even later komt ze met zware stappen weer naar beneden. Aan haar voeten prijken de donkergrijze Dr. Martens die ze een poosje geleden via Marktplaats heeft gekocht. Ze heeft ze nog nooit naar school gedragen, maar vandaag lijkt zij ze nodig te hebben: extra stevige schoenen. ‘Je bent niet alleen het allermooiste meisje dat ik ken,’ fluister ik, terwijl ze voorbij fietst, ‘maar ook het liefste en dapperste.’

Dubbele vuurdoop en een berentaart

Berentaart Zodra mijn vriend de auto start, zucht ik onhoorbaar. Ik probeer de knoop in mijn maag te negeren. We zijn op weg naar Frankrijk voor onze eerste vakantie samen en mijn dochter blijft alleen thuis. Ze is nog nooit een nacht alleen geweest; een hele week in een – op de kat na – leeg huis betekent dus een vuurdoop van jewelste. En niet alleen voor haar. We hebben het er van tevoren uitgebreid over gehad, maar ze wees gedecideerd elk logeervoorstel van de hand. ‘Ik ben zestien, mam, ik kan heus wel voor mezelf zorgen.’

Pas ter hoogte van Antwerpen begin ik een beetje te ontspannen. Aan het begin van de avond nemen we plaats op de veranda van ons huisje in de Franse Morvan, tweehonderd kilometer ten zuiden van Parijs. Ik laat mijn dochter weten, dat we veilig zijn aangekomen en binnen drie minuten stuurt ze een berichtje terug. ‘Toen ik de badkamerdeur opendeed, ging het rookalarm op de overloop af. Vergeten het raam open te doen en de hele badkamer vol stoom. Maar alles weer onder controle, hoor.’ Ik schiet in de lach, zie het voor me, maar besef ook hoe erg ik haar mis.

Elke avond hebben we contact, soms per sms, soms per telefoon. Op dinsdagavond is ze niet zo goed gehumeurd. Ze is bezig met een verjaardagstaart voor haar neefje en dat gaat niet zoals ze zou willen. ‘Ik ben nog wel tot middernacht zoet,’ sms’t ze me om acht uur. De volgende dag stuurt ze me een foto van het eindresultaat: een prachtige teddybeer van cake, fondant en marsepein. ‘O, wat geweldig,’ verzucht ik, ‘kon ik maar een hapje proeven, nu.’ Ik ben zo trots op haar en hoewel het een beetje begint te wennen dat we 750 kilometer van elkaar verwijderd zijn, mis ik haar. Behoorlijk zelfs.

Na een heerlijke week in Frankrijk komen we thuis in een opgeruimd huis. Mijn dochter en haar vriendje zijn druk in de weer in de keuken, maar zij laat de pannen even voor wat ze zijn en komt ons stralend begroeten. Ik knuffel haar steviger dan ik ooit gedaan heb en doe mijn uiterste best om niet weer te gaan huilen, zoals een week ervoor bij het afscheid. De volgende dag, als we weer met ons tweexebn zijn, vertelt ze me alles over de afgelopen week. Ze heeft genoten van de vrijheid en mij tegelijkertijd ontzettend gemist. Ik ben trots op haar, vind dat ze haar vuurdoop prima doorstaan heeft. ‘En jij die van jou,’ gniffelt mijn dochter, terwijl ze haar armen om me heen slaat.

IJs met een bittere nasmaak (2)

IJsmetbitterenasmaak‘De vorige maand heeft mijn dochter hier achttien uur gewerkt,’ zeg ik tegen de lokale ijsboer. ‘Ze heeft nog geen cent gezien, dus ik geloof dat ik de arbeidsinspectie maar eens in moet schakelen.’ Er verandert iets in zijn aanvankelijk neutrale houding en hij zegt op aanvallende toon dat hij voor niemand bang is. Dat hij alles keurig op orde heeft en of ik hem maar even wil volgen. Zijn manier van doen irriteert me nu al.

In de keuken wijst hij op een rooster aan de muur, dat moet bewijzen hoe keurig hij zijn zaakjes op personeelsgebied op orde heeft. Het interesseert mij totaal niet en ik begin opnieuw over achttien onbetaalde uren. Hij antwoordt: ‘De eerste vier uren zijn inwerkuren voor ons, de tweede vier uren voor haar. Die betalen we nooit uit, behalve als iemand zijn best doet. Uw dochter stond hier maar met de armen over elkaar, dus die krijgt de eerste acht uren niet uitbetaald.’ Ik zeg dat het wettelijk gezien niet is toegestaan, om inwerkuren niet uit te betalen. ‘We doen het al jaren zo, hier,’ zegt hij, waarna hij eraan toevoegt dat ik mijn kind maar eens na moet laten kijken. ‘Ze stond hier te huilen in de keuken, toen ik zei dat ze niet kon rekenen.’ Ik ben met stomheid geslagen. Deze kerel staat hier ijskoud te beweren dat ik een luie dochter heb die bovendien niet helemaal spoort. Ik krijg spontaan zin om hem op zijn gezicht te timmeren, maar omdat me dat, gezien zijn agressieve houding en imposante omvang, geen slim plan lijkt, draai ik me om en loop ik zwijgend en inwendig kokend van woede de ijssalon uit.

Een week later belt de ijsboer: ‘Je kunt nu je salaris komen halen. Doe je dat niet, dan heb je pech en krijg je niks,’ blaft hij tegen mijn kind. Zij hangt op en gaat meteen naar de ijssalon. Even later komt ze, lichtelijk verbijsterd, thuis. Voor achttien uur werken heeft ze een schamele achtentwintig euro gekregen. Geld dat de baas haar letterlijk toegesmeten heeft, met de mededeling dat hij twee euro heeft ingehouden voor de cola – één blikje – die ze tijdens werktijd heeft gedronken. Voor mij is de maat nu echt vol. ‘Ik bel de arbeidsinspectie!’, bries ik. ‘Ach mam, laat lekker gaan,’ zegt mijn dochter. ‘Ik ben al lang blij dat ik niet meer voor hem hoef te werken en ik heb een retourtje Amsterdam bij elkaar. Ga ik volgende week lekker een dagje met mijn vriendin op stap.’

Dikke regenwolken blijven zich verzamelen boven ons dorp. Telkens als ik er voorbij kom, brengt de aanblik van een lege ijssalon en de natte plastic stoeltjes op het terras ervoor, een glimlach op mijn gezicht. De zaken voor deze ijsboer gaan ook zonder een bezoek van de arbeidsinspectie beroerd. Dat vind ik een troostende gedachte.