Het balkon ligt er weer fris en schoon bij. Ik spreid de krakend verse zaterdagkrant uit op het oude, houten tafeltje, dat nog na lijkt te trillen van de douchebeurt met de hogedrukspuit. Ik laat mijn hand over het vergrijsde hout gaan. Au! Minuscule splintertjes hebben zich in de huid van mijn wijsvinger geboord. Het tafeltje kocht ik toen we in dit dorp kwamen wonen. Zon, vorst en regen heeft het kranig doorstaan. Een gebroken poot, veroorzaakt door een enthousiaste glazenwasser, heb ik geduldig gerepareerd. Ik houd er niet van om nog bruikbare spullen weg te gooien, ook al zijn ze niet zo mooi meer. Maar nu het hout is veranderd in een verzameling gemene splinters, is het tijd voor iets anders.
Smachtend staan dochter en ik even later in het tuincentrum naar een prachtig balkontafeltje te kijken. Het is van metaal met glas en volkomen onderhoudsvrij – iets wat niet gezegd kan worden van onze huidige tafel, die elk nieuw voorjaar weer geschrobd, geschuurd en in de olie gezet moet worden. ‘Kost ‘ie?’ vraag ik mijn dochter omdat ik geen zin heb om mijn leesbril tevoorschijn te halen. ‘Honderd dertig euro,’ meldt zij plechtig. Dat is me te gek; kan het nog zo’n mooi tafeltje zijn. Een passant stoot me aan. ‘Weet je dat ze die tafeltjes voor veel minder ook bij Jysk hebben?’ vraagt hij. ‘Bedankt voor de tip,’ zeg ik enthousiast, waarna wij snel naar de kassa gaan om de drie plantjes af te rekenen die, ondanks mijn voornemen aan elke vorm van groen weerstand te bieden, in mijn winkelwagen zijn beland. We sluiten aan in een ellenlange rij; de lentezon heeft de wijde omgeving naar het tuincentrum gelokt.
Zo druk als het in het tuincentrum was, zo rustig is het bij het woonwarenhuis. Het personeel klontert samen bij de kassa’s en begroet ons enthousiast. Op ons gemak wandelen we langs beddengoed, matrassen en kussens en komen dan aan bij een verzameling tuintafeltjes in alle soorten en maten. Groen, roze en blauw metaal schreeuwt ons tegemoet, maar ertussen ontwaar ik opeens een beschaafde metalen tafel met een glazen blad. Ik draai me om, omdat ik mijn dochter wil vragen wat zij ervan vindt. Dan staat mijn hart stil. Een jongetje van drie turven hoog, in camouflagebroek en stoer shirt, houdt zijn machinepistool strak op mij gericht. Het ding is van plastic, zie ik meteen, maar toch. Welk mens komt op het idee om een kleuter zo uit te dossen en anderen de stuipen op het lijf te laten jagen? Daar kom ik al snel achter. Zijn ouders duiken achter het jochie op. ‘Nee, Rodney,’ zegt zijn moeder glimlachend en met iets van trots in haar stem, ‘die mevrouw wil denk ik niet doodgeschoten worden, ga maar schieten op die kussens daar.’ Weg rent het kind; luid schreeuwend opent hij de aanval op zijn nieuwe doelwit. Hoofdschuddend kijk ik hem na.
Thuis schroef ik het nieuwe tafeltje in elkaar. De zaterdageditie, waaruit ik nog geen letter gelezen heb, leg ik op het glazen tafelblad. Zodra ik een kopje koffie gehaald heb, ga ik zitten en sla ik de krant open. Ik rol van de ene oorlog in het andere conflict. Wereldvrede is voorlopig niet aan de orde, vrees ik. Misschien ook niet zo gek, als je bedenkt dat sommige kinderen nog steeds geleerd wordt dat oorlog een spelletje is.









