Drie turven in gevechtstenue

Het balkon ligt er weer fris en schoon bij. Ik spreid de krakend verse zaterdagkrant uit op het oude, houten tafeltje, dat nog na lijkt te trillen van de douchebeurt met de hogedrukspuit. Ik laat mijn hand over het vergrijsde hout gaan. Au! Minuscule splintertjes hebben zich in de huid van mijn wijsvinger geboord. Het tafeltje kocht ik toen we in dit dorp kwamen wonen. Zon, vorst en regen heeft het kranig doorstaan. Een gebroken poot, veroorzaakt door een enthousiaste glazenwasser, heb ik geduldig gerepareerd. Ik houd er niet van om nog bruikbare spullen weg te gooien, ook al zijn ze niet zo mooi meer. Maar nu het hout is veranderd in een verzameling gemene splinters, is het tijd voor iets anders.

Smachtend staan dochter en ik even later in het tuincentrum naar een prachtig balkontafeltje te kijken. Het is van metaal met glas en volkomen onderhoudsvrij – iets wat niet gezegd kan worden van onze huidige tafel, die elk nieuw voorjaar weer geschrobd, geschuurd en in de olie gezet moet worden. ‘Kost ‘ie?’ vraag ik mijn dochter omdat ik geen zin heb om mijn leesbril tevoorschijn te halen. ‘Honderd dertig euro,’ meldt zij plechtig. Dat is me te gek; kan het nog zo’n mooi tafeltje zijn. Een passant stoot me aan. ‘Weet je dat ze die tafeltjes voor veel minder ook bij Jysk hebben?’ vraagt hij. ‘Bedankt voor de tip,’ zeg ik enthousiast, waarna wij snel naar de kassa gaan om de drie plantjes af te rekenen die, ondanks mijn voornemen aan elke vorm van groen weerstand te bieden, in mijn winkelwagen zijn beland. We sluiten aan in een ellenlange rij; de lentezon heeft de wijde omgeving naar het tuincentrum gelokt.

Zo druk als het in het tuincentrum was, zo rustig is het bij het woonwarenhuis. Het personeel klontert samen bij de kassa’s en begroet ons enthousiast. Op ons gemak wandelen we langs beddengoed, matrassen en kussens en komen dan aan bij een verzameling tuintafeltjes in alle soorten en maten. Groen, roze en blauw metaal schreeuwt ons tegemoet, maar ertussen ontwaar ik opeens een beschaafde metalen tafel met een glazen blad. Ik draai me om, omdat ik mijn dochter wil vragen wat zij ervan vindt. Dan staat mijn hart stil. Een jongetje van drie turven hoog, in camouflagebroek en stoer shirt, houdt zijn machinepistool strak op mij gericht. Het ding is van plastic, zie ik meteen, maar toch. Welk mens komt op het idee om een kleuter zo uit te dossen en anderen de stuipen op het lijf te laten jagen? Daar kom ik al snel achter. Zijn ouders duiken achter het jochie op. ‘Nee, Rodney,’ zegt zijn moeder glimlachend en met iets van trots in haar stem, ‘die mevrouw wil denk ik niet doodgeschoten worden, ga maar schieten op die kussens daar.’ Weg rent het kind; luid schreeuwend opent hij de aanval op zijn nieuwe doelwit. Hoofdschuddend kijk ik hem na.

Thuis schroef ik het nieuwe tafeltje in elkaar. De zaterdageditie, waaruit ik nog geen letter gelezen heb, leg ik op het glazen tafelblad. Zodra ik een kopje koffie gehaald heb, ga ik zitten en sla ik de krant open. Ik rol van de ene oorlog in het andere conflict. Wereldvrede is voorlopig niet aan de orde, vrees ik. Misschien ook niet zo gek, als je bedenkt dat sommige kinderen nog steeds geleerd wordt dat oorlog een spelletje is.

Stickers plakken

“We willen zelf graag uniek zijn, terwijl we iedereen die afwijkt van onze standaard abnormaal vinden.”  ~ RvA

‘Je bent echt prachtig,’ bevestig ik voor de zoveelste keer, ‘en weet je wat ik het allermooist aan je vind?’ Mijn dochter kijkt me vragend aan. ‘Je durft eindelijk te laten zien wie je bent en dat is iets om trots op te zijn.’ Ze heeft een lange weg afgelegd om te komen waar ze nu is, gevochten om haar eigen identiteit en zelfrespect te vinden. Waar zij anderen nooit op uiterlijk zal beoordelen, zijn er telkens weer mensen die in haar unieke verschijning een aanleiding vinden, om haar een sticker met het woord  ’gothic’ of ‘emo’ op te plakken.

Vandaag zit er bijna uitsluitend was van mijn dochter in de droger. Zodra ik het deurtje geopend heb, rollen er T-shirts en panty’s vol gaten uit. De shirts vouw ik zorgvuldig op – aan strijken doe ik al jaren niet meer – en de panty rol ik tot een compact knoedeltje. Dan roep ik naar beneden dat ze zich echt moet gaan aankleden, nu. ‘We hoeven toch pas over anderhalf uur weg?’ zegt ze verbaasd. ‘Ja, daarom juist,’ antwoord ik, want ik weet hoe dat gaat.

Na een kwartier komt ze me outfit nummer een laten zien: ‘Hoe vind je dit?’ Ze heeft een van de zojuist door mij opgevouwen shirts aangetrokken boven een felroze met zwart rokje. Een panty vol eindeloze ladders completeert het plaatje.  ’Gaaf,’ zeg ik, naar waarheid, hoewel iets met zoveel gaten strikt genomen het predicaat ‘gaaf’ niet verdient. ‘Ik weet het niet,’ zegt ze weifelend, terwijl ze de trap op loopt. Een dikke tien minuten later staat ze weer voor mijn neus. De panty is nog dezelfde, maar nu heeft ze een zwart jurkje met tule aan, met daaroverheen een ander verknipt shirt. Ik moet lachen om haar vragende blik. ‘Net zo gaaf als dat andere setje,’ zeg ik, waarna ze opnieuw naar boven gaat.

Vijf minuten voordat ik wil vertrekken, begin ik alvast aan te kondigen dat we zo echt gaan. Even later komt ze stralend de trap af. Haar ogen, die net als altijd aarzelen tussen groen en bruin, heeft ze prachtig opgemaakt. Om haar beide polsen bungelen armbandjes in alle soorten en kleuren. Ze loopt rinkelend voorbij en buigt zich over het volgende en tevens laatste hoofdstuk van het aankleedritueel: de schoenen. Net als ik denk dat ze voor haar stoere Dr. Martens zal kiezen, pakt ze haar hooggehakte laarsjes. Nadenkend blijft ze staan en dan bukt ze zich, zet de laarsjes terug en kiest toch voor de felrode en torenhoge pumps.

We zijn nog maar koud op het feestje, als een mevrouw mijn dochter een hand geeft met de woorden: ‘Jij gaat steeds meer op mijn nichtje lijken. Die is ook gothic of emo of zoiets.’ Ondertussen gaan haar ogen, waarin een flinke vleug afkeur te lezen valt, van mijn dochters make-up via haar kleding naar haar schoenen. Ik haal diep adem en zeg: ‘Mijn kind lijkt hooguit op zichzelf en ze hoeft geen sticker.’ De vrouw legt een hand op de schouder van haar nog jonge dochtertje. Ik mag hopen dat het meisje straks net zo uniek wordt als mijn prachtige dochter en dat haar moeder tegen die tijd het stickers plakken heeft afgeleerd.

Matig oranje

In mijn huishouding zijn de eters grofweg in twee categorieën te verdelen: die van de matige vegetariërs en die van de onverzadigbare carnivoren. Konijn en kind behoren zonder twijfel tot de eerste soort. Kat en ondergetekende tot de tweede.

Lang voordat Louise, het konijn, haar intrede deed bij ons, vond de dierenarts dat wij Cato op dieet moesten zetten. En niet zo’n beetje ook. ‘Ze moet echt afvallen,’ zei hij op dreigende toon, dus kreeg ze voortaan een afgemeten hoeveelheid brokjes en probeerden wij haar op alle mogelijke manieren tot enige beweging aan te sporen. Dat laatste mislukte volkomen; aangeboren luiheid blijkt niet af te leren te zijn, althans niet bij een kat zoals die van ons. Met het minder brokjes geven, boekten we echter wel een klein succesje. Een jaar lang diëten leverde een gewichtsverlies van ruim zeshonderd gram op. Best veel voor een kat.

Toen kwam Louise, een schattig, pluizig ding met oortjes. Ze was nog maar drie maanden oud en woog nog geen drie ons. De dierenarts, bekend met mijn weekhartigheid waar het de voedselverstrekking aan viervoeters betreft, waarschuwde meteen: ‘Geef haar onbeperkt hooi te eten, maar wees verder zuinig met brokjes en vers voer.’ Voorzichtig begonnen we met haar af en toe een blaadje witlof te voeren, een stukje andijvie, of een takje peterselie. Na een paar weken ontdekten we dat Louise, net als mijn dochter, gek is op worteltjes. Ze groeit prima op haar dieet van hooi met tussendoor wat vers groen (of oranje), maar dik is ze beslist niet.

Sinds Louise’s komst gaat het met de lijn van Cato weer bergafwaarts. Of bergopwaarts; het is maar hoe je het bekijkt. Zodra ze merkt, dat het konijn wat te eten krijgt, snelt zij ook naar haar bakje. Er zijn momenten waarop ik haar smachtende blikken gewoonweg niet kan weerstaan. Cato krijgt dus weer meer te eten dan tijdens haar gedwongen dieet. Vanmiddag vraag ik me plotseling af, waarom de twee vegetariërs in mijn gezin geen gewichtsproblemen hebben en Cato en ik wel. Zou het antwoord besloten liggen in het eten van oranjevoer? Ik vul het bakje van de kat met een bergje worteltjes. Enthousiast komt ze aangehobbeld. Eten? Even snuffelt ze aan haar bakje en gaat er dan teleurgesteld naast zitten. De blik in haar ogen zegt me dat ze absoluut niet van plan is om ook maar een hapje te proeven.

Dan pas dringt tot me door, wat ik natuurlijk al wel wist. Het is niet het vegetarisme dat gewichtsproblemen voorkomt. Het antwoord op mijn vraag is niet groen van kleur, noch oranje. Net als ik, moet Cato gewoon weer minder gaan eten.


Over antiek(e) bellen

Vanuit mijn tas klinkt een doordringende piep. Ik haal mijn telefoon tevoorschijn en zie dat ik een oproep gemist heb. ‘Je kunt misschien vanaf deze telefoon terugbellen,’ giechelt mijn dochter, terwijl ze mij de reusachtige, zwarte hoorn toesteekt, van een van de vooroorlogse telefoons die op de tafel voor ons staan uitgestald. Voor de grap steek ik  mijn wijsvinger in het gaatje boven de nul en draai ik de kiesschijf naar rechts. Mijn dochter kijkt geamuseerd toe. Vroeger, heel vroeger, draaide je dus een nummer. Ze heeft, besef ik opeens, nog nooit een dergelijke telefoon van dichtbij gezien en moet het wel onvoorstelbaar vinden, dat  telefoneren lang geleden iets bijzonders was.

We slenteren verder over de rommelmarkt, neuzen hier en daar wat rond en besluiten na verloop van tijd even te pauzeren. Met een broodje in de hand, laten we ons op een paar vrije stoelen zakken. Hiervandaan hebben we een uitstekend uitzicht op het publiek dat zich een weg baant tussen de kramen. Bij de dichtstbijzijnde kraam laat een wat oudere man in een sportief jack diverse spullen door zijn handen gaan, terwijl zijn blik strak gericht blijft op een voorwerp ter linkerzijde van hem. Snel schieten zijn ogen van links naar rechts en pas als hij ervan overtuigd lijkt, dat niemand kijkt, pakt hij het ding op. Liefkozend laat hij zijn hand over de stokoude koperen bel gaan. Hij beweegt hem vluchtig heen en weer. Een luid geklingel verraadt hem en als door een wesp gestoken zet hij de bel snel terug. Om de aandacht af te leiden, pakt hij het ernaast liggende boekje op, bladert er wat in en legt het terug. Dan schiet zijn hand, verlangend, opnieuw in de richting van de bel. Om geluidsoverlast te voorkomen, tilt hij hem heel behoedzaam op. Wat gaat er in hem om, wat moet hij met zo’n bel? Echt antiek zal het ding niet zijn. Zou hij op zijn donder krijgen, als hij weer met een nutteloos voorwerp thuiskomt? Nog een laatste keer liefkoost de man de bel, kijkt ernaar en loopt dan weg, tergend langzaam, alsof het afscheid hem bijna te zwaar valt.

Ergens in deze gigantische hal moet een kraam zijn van Popkoor Akkoord. Ik heb beloofd daar vandaag iets te komen kopen, maar ik ben het standnummer vergeten. Opnieuw diep ik mijn telefoon uit mijn tas op. Hij is gloednieuw en ik ben nog geen ster in de bediening ervan. Nadat ik een nummer gekozen heb, krijg ik niet degene aan de telefoon, die ik verwacht had. ‘Sorry,’ zeg ik, ‘ik heb het verkeerde nummer gedraaid.’ Mijn dochter schiet prompt in de lach. ‘Gedraaid!’ roept ze uit en dan besef ik dat ik dan misschien wel over de nieuwste apparatuur beschik, maar dat ik ergens  een beetje een antieke beller gebleven ben.

‘Hit by a truck’

Ben je nog steeds alleen?’ vraagt radiopresentator Bert Kranenbarg en ik ben meteen van mijn à propos. Zojuist heb ik iets verteld over mijn ervaringen met het daten via internet. Over de teleurstellingen, de valkuilen en over mijn boek. Op deze laatste vraag heb ik echter niet gerekend. Mijn stem bibbert een beetje als ik schoorvoetend beken dat ik nog single ben. ‘Dankjewel,’ zegt Bert ‘en dan gaan we nu naar Willeke, want zij heeft wel een partner gevonden.’ Leuk voor haar, denk ik, een beetje afgunstig.

‘Zodra je stopt met zoeken, kom je hem vanzelf tegen,’ kreeg ik regelmatig te horen, dus besloot ik om mijn zoektocht op datingsites te staken. En verhip: opeens zwom er een Vis mijn wateren in. ‘Jouw sterrenbeeld is niet compatibel met dat van mij,’ grapte ik aanvankelijk, maar hij vond het klinkklare onzin om op basis van de sterren allerlei voorbarige conclusies te trekken. Ik hield mijn mond, maar zag na verloop van tijd steeds duidelijker, dat er toch een kern van waarheid schuilt in de bewering dat Tweelingen en Vissen een (te) ingewikkelde combinatie vormen.

Ik heb afwisseling nodig, avontuur. Een partner die houdt van reizen en daar de prachtigste verhalen over kan vertellen. Iemand die mij uitdaagt op intellectueel gebied, af en toe eens flink met mij van mening verschilt. Naast mij, kortom, heb ik iemand nodig die me intrigeert en dat blijft doen, want ik ben snel verveeld. Waar ik negentien jaar lang gefascineerd bleef door een Waterman, kon deze Vis mij na een half jaar al niet meer boeien. Inmiddels reken ik hem dat niet meer aan; het ligt immers aan mij dat ik niet kon leven met zijn sentimentaliteit en gebrek aan ondernemingslust? Bovendien was ik gewaarschuwd. Vissen, zo is overal te lezen, zijn over het algemeen graag alleen, spiritueel en gevoelsmensen. Al die eigenschappen staan haaks op die van de nuchtere, denkende Tweeling die graag in gezelschap van anderen verkeert.

Dus ja, ik ben nog steeds (of alweer) alleen. Tegenwoordig roep ik stoer dat ik het veel te druk heb voor een relatie, maar eerlijk is eerlijk: ik vraag me af waar hij blijft, die man op wie ik nooit meer uitgekeken raak. Misschien bestaat hij wel helemaal niet. Of wacht, nee, ik heb hem ontmoet, een tijdje geleden. Een man om van te Watertanden. Eentje met wie het meer dan goed klikte en die ook in astrologisch opzicht perfect bij mij zou passen. Maar ja: hij bleek ook ongelofelijk gelukkig getrouwd.

Jessica Tandy (ook een Tweelingen) heeft eens gezegd: ‘They keep saying the right person will come along. I think mine was hit by a truck.’ Laat ik dan hopen dat mijn ‘right person’ heel erg voorzichtig is en blijft in het verkeer.

Tweelingen, comfort zone en magie

Hoewel ik uit een soort nieuwsgierigheid, mijn horoscoop wel eens lees, hecht ik geen enkele waarde aan de voorspellingen die erin gedaan worden. De realiteit leert namelijk, dat ik op de dagen waarop ik volgens mijn horoscoop zou moeten bruisen van de energie, lusteloos ben. En omgekeerd. Voorspoed in de liefde is mij vaker voorspeld dan overkomen en over een gelukkige hand in het spel beschik ik zelden, ondanks de door astrologen in het vooruitzicht gestelde prijzen. Vandaag lees ik bijvoorbeeld, dat ik kan rekenen op een financiële meevaller. Ik heb nog maar net de brief van de Belastingdienst opengemaakt. Een naheffing; dat noem ik eerder een tegenvaller.

Helemaal afwijzend sta ik echter niet tegenover astrologie, want in de karakteromschrijvingen die bij mijn sterrenbeeld horen, zie ik te veel van mezelf terug, om het af te doen als volslagen onzin. Er wordt beweerd dat Tweelingen graag praten, houden van nieuwe uitdagingen en van hun vrijheid. Het is allemaal op mij van toepassing. Vroeger, op school, kreeg ik het verwijt dat ik te veel en te vaak aan het woord was en nog steeds vind ik bomen over van alles en nog wat geweldig. Het feit dat ik single ben, heeft wellicht iets met mijn vrijheidsdrang te maken en wat die nieuwe uitdagingen betreft: ik vind niets leuker. Verhuizen naar een totaal onbekende omgeving? Bekende Arnhemmers interviewen voor een glossy magazine? Auditie doen voor een solo tijdens de theatervoorstelling van mijn koor? Ik heb het gedaan, stapte uit mijn comfort zone en dat heeft me al vele magische momenten opgeleverd.

Vreemd genoeg lijkt het alsof ik dat laatste hier niet durf. Ik blijf op dit weblog al jaren binnen de grenzen die ik voor mezelf gecreëerd heb. Het achterste van mijn tong blijft onzichtbaar voor mijn lezers, snoeihard mijn mening geven doe ik nooit. Op het moment dat een recensent mijn columns niet erg diepgaand noemt, dringt tot me door dat ik me, waar het heel persoonlijke dingen betreft, vaak op de vlakte houd. Die neiging tot oppervlakkigheid schijnt ook bij Tweelingen te horen, overigens. Misschien is het tijd om korte metten te maken met die eigenschap en moet ik proberen om de komende tijd, ook in mijn columns, eens uit mijn comfort zone te stappen. Wie weet wat voor magische momenten me dat weer gaat opleveren?

Tussen ‘De Avonden’ en ‘Portret in Sepia’

Het is dat ik ’s avonds vaak nog zoveel te doen heb – en de inspiratie voor een column meestal pas na tienen komt – anders zou ik standaard vroeg naar bed gaan. Dat heeft niet zozeer te maken met het feit dat ik toevallig het fijnste bed ter wereld heb, wat ik proefondervindelijk heb kunnen vaststellen. Nee, dat komt met name door wie er op mijn nachtkastje op me wacht. Met een beetje geluk is dat Isabel Allende, maar als ik haar nieuwste boek uit heb, ligt er wel een mooie Kader Abdolah, een fijne Arthur Japin of, zoals nu, een exotische Miki Sakamoto. Ik houd van boeken.

Dat is wel eens anders geweest. Zo tot mijn zeventiende was ik een fanatieke lezer. Het is overdreven om te stellen dat ik dagelijks bij de bibliotheek kwam, maar ik las vaak en veel. Heerlijk vond ik het, om even te ontsnappen aan de wereld om me heen, helemaal in een verhaal te duiken. Volgens mijn moeder, die ook boeken verslindt, hoorde of zag ik niets, als ik aan het lezen was. Toen ik naar de vijfde klas van de middelbare school ging, verging de lust tot lezen me razendsnel. Naast Nederlands en Engels, had ik Frans en Duits in mijn pakket. En voor elk van die vakken kreeg ik enorm veel leesvoer te verstouwen en dat moest allemaal in hoog tempo. Dus las ik ‘De Avonden’ simultaan met ‘Pride and Prejudice’, ‘l’Etranger’ met ‘Die Blechtrommel’. Omdat ik me nergens echt in kon verdiepen, kon geen van die boeken me bekoren. Had ik er een uit, dan volgde onmiddellijk een andere. Nog jaren na het behalen van mijn diploma heb ik geen boek meer gelezen.

Toen ik nog maar pas in Rotterdam woonde, liep ik op een middag langs de bibliotheek. Het enorme gebouw maakte indruk op mij; deze bieb was beslist van een andere kaliber dan die in mijn geboortedorp. Puur uit nieuwsgierigheid liep ik er naar binnen. Uren later kwam ik weer naar buiten, een lidmaatschapskaart in mijn jaszak en een stapel boeken in een linnen tas aan mijn schouder. Sindsdien is mijn leeslust weer terug en daar ben ik blij om. Ik vind het heerlijk om me te verliezen in verhalen die anderen op meeslepende wijze vertellen. Ik houd van de geur van papier, van het geluid van het omslaan van de bladzijden, van een prachtige omslag.

Voordat ik me met ‘De eeuw van de kersenbloesem’ onder mijn dekbed vlij, ga ik nog even bij mijn dochter kijken. Ze zit zachtjes te mopperen boven haar Engelse boek. Het kan haar niet boeien en ze weet dat er ook nog een dikke pil voor haar Nederlandse literatuurlijst ligt te wachten. Ik druk een kus op haar voorhoofd en hoop dat haar vroegere lust tot lezen ooit terug zal keren. Voorlopig moet ze lezen en misschien krijgt ze er, net als ik, weer plezier in zodra het niet meer moet, maar gewoon mag.

Brieven van Pietro – deel III

Milazzo, Peter …… het zal toch niet? Deze man is groot, breed, allesbehalve corpulent en ik kan me haast niet voorstellen dat hij de uitgegroeide versie van het kleine Siciliaantje van weleer is. Vragen naar zijn achternaam vind ik wat te brutaal, dus noem ik op mijn beurt, licht blozend, mijn voor- en achternaam. ‘Ah, Christien, that’s a beautiful name,’ zegt hij slechts en ik merk dat er geen enkel belletje bij hem gaat rinkelen. Het zou ook wel heel toevallig zijn, als we elkaar hier, aan de voet van de Etna, opeens zouden ontmoeten. We kiezen een warme trui uit, rekenen af en gaan weer naar buiten, nadat Pietro ons nog een aangenaam verblijf op Sicilië gewenst heeft.

Twee dagen voordat we naar huis gaan, zitten we in de bus. Ik heb een excursie naar Lipari, een klein eiland voor de kust van Sicilië geboekt. De reisleidster is op taalgebied van alle markten thuis en hangt een lang verhaal op in het Engels, Russisch en Frans. Alles met een vet Italiaans accent. Het maakt wat zij vertelt tot een onontwarbaar relaas, waar alleen een enkele plaatsnaam voor enige herkenning zorgt. Aan haar duidelijke opwinding valt af te leiden dat de haven, van waaruit we zullen vertrekken, in zicht komt. ‘Milazzo,’ hoor ik haar luid en duidelijk in de microfoon zeggen. Ik ga rechtop zitten en kijk nog aandachtiger naar buiten. ‘Stel dat Pietro hier ergens loopt,’ grap ik tegen mijn dochter. ‘Alsof je hem dan zou herkennen,’ lacht ze. Daar heeft ze een punt.

Zodra het vliegtuig opstijgt, werp ik nog een laatste blik op het landschap dat mijn voormalige penvriend zo vertrouwd was. Natuurlijk was er stiekem de hoop dat ik hem ergens tegen het lijf zou lopen, maar echt mijn best heb ik ook niet gedaan om hem te vinden. Het is goed zo. Wij hebben genoten van onze vakantie en thuis maak ik een selectie van de mooiste foto’s, die ik in een album af laat drukken. Na een paar weken ga ik weer over tot de orde van de dag. De aanstaande verhuizing doet de herinneringen aan Sicilië al snel verbleken.

Vijf jaren zijn verstreken, als ik op een zondagmiddag op zoek ga naar een oude foto. Terwijl ik een stapel vergeelde plakboeken en oude fotoalbums uit de kast haal, dwarrelt er een losse foto op de grond. Ik buk me om hem op te rapen….. Pietro. ‘Daar ben je weer,’ mompel ik, waarna ik minutenlang naar zijn vage contouren staar. Ik vraag me af hoe mijn leven eruit zou hebben gezien als ik op die lentemorgen in 1997 op zijn uitnodiging zou zijn ingegaan. En stel dat hij het wel was geweest, daar aan de voet van de Etna?

Zijn brieven kan ik nergens meer vinden; ze zijn in de vele verhuizingen zoekgeraakt. Vandaag of morgen zal Pietro vast wel weer ergens opduiken; in de vorm van verloren gewaande brieven of anderszins. Stiekem verheug ik me alvast een beetje op die gelegenheid.

Brieven van Pietro – deel II

Stomverbaasd laat ik me op de bank zakken. ‘Hoe kom je aan mijn telefoonnummer?’ vraag ik, zodra ik van de eerste schrik bekomen ben. ‘Van je moeder gekregen,’ antwoordt hij in vrijwel accentloos Engels. Mijn brein maakt overuren, maar dan vertelt hij dat hij voor een congres in Amsterdam is. ‘Ik ben je nooit vergeten en besloot in het telefoonboek van je oude woonplaats te kijken. Bij het adres dat in mijn geheugen gegrift staat, vond ik een nummer en je moeder nam op.’

Ik ben te overdonderd, om een vlotte conversatie te kunnen voeren en ben blij dat hij het woord neemt. Hij vertelt in het kort iets over zijn leven in de afgelopen jaren en daarna doe ik hetzelfde. ‘Ik zou je zo graag eens ontmoeten,’ zegt hij dan plotseling en de warmte in zijn stem doet me bijna smelten. Mijn hemel, denk ik, en wat zou ik jou graag eens zien. Maar dat zeg ik niet, omdat ik weet hoe mijn echtgenoot zal reageren op het nieuws dat ik een afspraakje heb met mijn Italiaanse aanbidder van weleer. ‘Nou,’ dringt Pietro aan, ‘kom je deze week een keer naar Amsterdam?’ Ik knijp de  hoorn bijna fijn, aarzel en zeg dan met hoorbare spijt in mijn stem dat mijn agenda te vol is.

Nadat ik heb opgehangen, ga ik mijn kleine meisje uit bed halen. Ik neem haar mee naar beneden, maar ben niet met mijn hoofd bij haar. Voortdurend vraag ik me af, of ik er goed aan heb gedaan, de uitnodiging van Pietro af te slaan. Daarnaast pieker ik over hoe ik het met mijn man over het telefoongesprek van vanmiddag moet hebben. Veel tijd om daarover na te denken krijg ik niet, want bekende voetstappen weerklinken in de straat. Hij heeft me nog maar nauwelijks een kus gegeven, of ik barst al los: ‘Je raadt nooit wie ik vanmiddag aan de telefoon had!’ Hij lijkt even uit het lood geslagen, maar herstelt zich snel en vraagt niet eens of ik op de uitnodiging ingegaan ben. In de afgelopen jaren heb ik te vaak een aanvaring met zijn jaloerse ik gehad. Hij kent me goed genoeg om te weten dat ik niet op een herhaling daarvan zit te wachten. En na verloop van tijd verdwijnt Pietro opnieuw naar de  rand van mijn herinneringen.

Als in het vroege voorjaar van 2007 de littekens van mijn echtscheiding nog vers zijn, heb ik behoefte aan iets leuks. Omdat mijn dochter en ik in de zomervakantie gaan verhuizen, wil ik een weekje met haar weg in de meivakantie. En zo staan we op Koninginnedag klappertandend omhoog te kijken naar de in mist gehulde flanken van de Etna. ‘Kom,’ zeg ik tegen dochterlief, ‘laten we eerst maar eens in dat winkeltje gaan kijken voor een warme trui.’ De winkeleigenaar vraagt waar we vandaan komen en zegt na mijn ‘from Holland’ lachend: ‘Dan zijn jullie toch wel aan kou gewend?’ Ik vraag of deze diepvriesomstandigheden normaal zijn voor de omgeving. Hij antwoordt dat hij in Milazzo,  niet ver hier vandaan, geboren is en dat het heel koud kan worden rond de Etna. Terwijl hij zijn hand uitsteekt voegt hij eraan toe: ‘My name is Peter.’

Brieven van Pietro – deel I

Ergens aan het eind van de jaren zeventig, ik moet in de derde of vierde klas gezeten hebben, kondigde mijn lerares Engels aan dat ze penvrienden en –vriendinnen zocht voor leeftijdgenoten in het buitenland. Ik ‘kreeg’ Pietro Mancuso, een Siciliaanse jongen. Tot op de dag van vandaag vraag ik me af, wat hier nou de precieze bedoeling van was. Mijn Engels was nog niet om over naar huis te schrijven – laat staan naar Italië. Bovendien werd mijn beheersing van die taal ook niet beter van zijn ronduit onbeholpen schrijfsels. Toch begreep hij altijd wat ik bedoelde en tastte ik bij het lezen van zijn brieven slechts zelden in het duister. Er ontspon zich een levendige briefwisseling tussen Gendringen en Milazzo.

Na een halfjaar corresponderen sloot hij een wazige, vaal gekleurde polaroidfoto bij zijn brief. Het beeld dat ik van mijn Mediterrane penvriend had geschapen bleek niet te kloppen met het kleine en enigszins corpulente Italiaantje op de foto. Stoer stond hij tegen een sportvliegtuigje geleund. Over zijn relatie met de Cessna hulde Pietro zich in mysteriën. Ik vermoed dat hij het ding gebruikte, om zijn wat tegenvallende voorkomen te compenseren, in een poging indruk op mij te maken. Dat lukte pas een klein beetje, toen ik zijn volgende brief kreeg, waarin hij reageerde op de foto die ik hem gestuurd had. Hij noemde me beautiful en dat had nog geen enkele jongen voor hem gedaan.

Kennelijk had ik meer indruk op hem gemaakt, dan ik bedoeld had, want Pietro begon zich in mij vast te bijten. Hij voerde de frequentie van zijn brieven op en ook de toon ervan veranderde. Zijn brieven begonnen me te beklemmen, mijn brieven werden wat afstandelijker. Toen ik voor een jaar naar Frankrijk ging, vond ik regelmatig een envelop met een Italiaanse postzegel tussen mijn post. Ondertussen was ik als een blok gevallen voor een lange, slanke Fransman en was ik zo tactloos om Pietro daar uitgebreid verslag van te doen. Hij reageerde sportief en leek niet van plan zich daardoor uit het veld te laten slaan. Pas toen ik nauwelijks meer terugschreef, gaf hij de moed op. De stroom brieven nam in intensiteit af en bleef tegen het einde van 1984 uiteindelijk helemaal uit.

En dan, op een zonnige lentemorgen in 1997, rinkelt de telefoon. Omdat mijn dochtertje slaapt, haast ik me om op te nemen. Een beetje ademloos zeg ik mijn naam. Een mij onbekende stem zegt: ‘Hi, it’s Peter from Sicily!’